BIBLIOTHEEK

De naam zegt het al: onze bibliotheek is vrij toegankelijk voor iedereen. Waarom een ‘open’ bibliotheek? Omdat wij geloven dat informatie meer oplevert als je die met elkaar deelt. Zodat je elkaar op ideeën kunt brengen en kunt inspireren. Kunt laten zien waar je mee bezig bent en wat je belangrijk vindt.
Hier vind je achtergrondinformatie over de Gebiedscoöperatie Westerkwartier: over onze projecten,  onze innovatiewerkplaats en ons ‘eigen’ lectoraat Duurzaam Coöperatief Ondernemen.

Regionale voedselketen 

Een investering in een indampsysteem voor de verwerking van digestaat (2018)

Door: Robert Akker 

Management samenvatting

De opdrachtgever voor dit onderzoek is de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. Dit is een coöperatie die zich inzet voor de ontwikkeling binnen de regio door middel van het verbinden van overheidsinstellingen, onderwijs en ondernemers in de regio. Via de Gebiedscoöperatie Westerkwartier is er een opdracht ontstaan voor een ondernemer uit de regio Johannes van der Veen. De heer Van der Veen heeft een melkveebedrijf en heeft bij zijn bedrijf een bio vergistingsinstallatie waarmee hij biogas opwekt. Het restproduct van de vergistingsinstallatie is digestaat. Digestaat wordt als dierlijk mest gekwalificeerd, wanneer de input van de vergistingsinstallatie voor meer dan 50% uit mest bestaat (Covergisting, 2017). Net als veel andere boeren heeft de heer Van der Veen een mestoverschot en digestaat overschot, waarvoor bij afzet betaald moet worden. Een mogelijkheid om de kosten hiervan te reduceren is het investeren in een indampsysteem.

Dit is dan ook de probleemstelling van het onderzoek:

“In hoeverre is een investering in een indampsysteem voor de verwerking van digestaat haalbaar, om de uitstoot van CO2 en de afzetkosten op een melkveebedrijf te verminderen?”.

De haalbaarheid wordt bekeken op drie vlakken: Wat is de financiële haalbaarheid van deze investering? Wat is de ecologische haalbaarheid van de investering? En zijn de risico’s van deze investering voldoende beheersbaar? In de financiële en ecologische resultaten worden vier mogelijke situaties vergeleken met de huidige situatie, waarin de afzetkosten van 12.750 ton digestaat €191.250, - per jaar zijn. De uitstoot van CO2 is daarbij 345.184 kg per jaar.

  1. Verwerking van de huidige hoeveelheid digestaat (12.750 ton), zonder verkoop of gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, de totale kosten zullen stijgen met € 11.760 naar € 203.010. De uitstoot van CO2 daalt naar 217.071 kg CO2 equivalent.
  2. Verwerking van de maximale hoeveelheid digestaat (21.300 ton), zonder verkoop of gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, de totale kosten zullen stijgen met € 83.903 naar € 275.153. De uitstoot van CO2 daalt naar 267.202 kg CO2 equivalent.
  3. Verwerking van de huidige hoeveelheid digestaat, met verkoop en gebruik van het concentraat als kunstmestvanger, een opbrengst van € 613.881. De uitstoot van CO2 daalt naar 42.572 kg CO2 quivalent.
  4. Verwerking van de maximale hoeveelheid digestaat, met verkoop en gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, een opbrengst van € 1.271.130. De uitstoot van CO2 daalt naar 71.218 kg CO2 equivalent.

Het break-even punt waarin de besparingen van de afzet gelijk zijn aan de kosten voor de verwerking van digestaat ligt bij het niet gebruiken van het concentraat op 14.555 ton digestaat. Wanneer het concentraat wel gebruikt mag worden ligt deze grens op 1.584 ton.

Het is niet duidelijkheid wanneer het concentraat als kunstmestvervanger gebruikt mag worden. Wanneer het concentraat niet gebruikt mag worden als kunstmestvervanger is het economisch niet rendabel om te investeren in dit systeem. Voor dit risico is de enige maatregel: wachten met het investeren in dit systeemtotdat er meer duidelijkheid is over de wetgeving omtrent gebruik van concentraat als kunstmestvervanger. Financieel is de investering alleen haalbaar wanneer het concentraat als kunstmestvervanger gebruikt mag worden. Ecologisch gezien wordt er in elke situatie winst behaald door een minimale verlaging in uitstoot van CO2 van 23%. Het grootste risico is niet voldoende beheersbaar. Het advies is dan ook om de investering uit te stellen, tot er voldoende zekerheid is dat het concentraat wettelijk gezien als kunstmestvervanger gebruikt mag worden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Regionale maaltijd coöperatie - ‘Een onderzoek naar een duurzaam businessmodel van een regionale maaltijd coöperatie’ (2018)

Door: Niels Alberts

Management samenvatting

De agrofood sector staat de laatste jaren sterk onder druk. Door mondiale concurrentie zal de komende tientallen jaren veertig procent van de bedrijven, en daarmee ook de werkgelegenheid verdwijnen. Als deelnemer aan het RFRAME-project, een samenwerkingsproject dat is opgezet om regionale voedselketens te herstellen, heeft de Gebiedscoöperatie Westerkwartier als doel om deze regionale voedselketens te herstellen en te behouden.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier om een businessmodel op te stellen over de regionale maaltijd coöperatie, waarbij stakeholders en meervoudige waardecreatie de belangrijkste onderwerpen zijn. Om dit doel te realiseren is de volgende hoofdvraag geformuleerd: ‘’Hoe ziet het businessmodel eruit van een regionale maaltijd coöperatie waarbij meervoudige waarde wordt gecreëerd?’’ Om de hoofdvraag te beantwoorden, zijn er drie deelvragen opgesteld die uiteindelijk moeten leiden tot het antwoord.

Als eerste is in dit onderzoek beschreven welk businessmodel leidend moet zijn voor het onderzoek aan de hand van literatuuronderzoek, de wensen van de Gebiedscoöperatie en de kenmerken van een social enterprise. Hierin is naar voren gekomen dat de structuur van het Business Model Canvas van Osterwalder en Peigner gebruikt wordt voor het onderzoek. Daarnaast wordt de theorie van Bocken en het Klaverbladmodel van Jonker gebruikt om de meervoudige waardecreatie te realiseren. Voordat het businessmodel verder uitgewerkt kan worden, is er onderzoek gedaan naar de stakeholders en de meervoudige waardecreatie. Aan de hand van deskresearch, interviews en brainstormsessies, is naar voren gekomen dat de belangrijke spelers de Gebiedscoöperatie Westerkwartier, de productgroep coöperaties (boeren) en de investeerders en bank zijn. Deze groep moet de waardecreatie omzetten in een waarde-aanbod voor de klanten. De meervoudige waardecreatie heeft als overkoepelende waarde ‘het regionaal product’. Daarnaast streeft de maaltijd coöperatie onder andere naar positieve milieueffecten, dierenwelzijn, efficiënt inzetten van arbeid en kapitaal, lagere kosten, werkgelegenheid en een maatschappelijke transitie. Nadat de belangrijkste onderwerpen zijn onderzocht, is het businessmodel ingevuld aan de hand van eenbrainstormsessie. Het model is vanuit vier verschillende perspectieven opgesteld en beoordeeld. Hier is onder andere naar voren gekomen dat de belangrijkste klanten de grootkeukens zijn. De inkomsten die vooral gerealiseerd worden, zijn de verkoop van maaltijden, subsidies en de verkoop van bio-waste. Daarnaast komen jaarlijks vaste-en variabele kosten terug. Zie Bijlage 9 Het Business Model Canvas maaltijd coöperatie, voor het businessmodel.

Uit dit onderzoek is gebleken dat er een toekomst is voor de maaltijd coöperatie. De vraag naar regionale producten stijgt. Daarnaast zijn de ontwikkelingen rondom de regionale voedselketens kansrijk voor de maaltijd coöperatie. Er worden echter wel vier aanbevelingen gegeven om dit businessmodel te optimaliseren en problemen op te lossen. Er wordt ten eerste geadviseerd om de structuur van de productgroep coöperaties te onderzoeken. Het is nog niet duidelijk welke rol de productgroep coöperaties gaan spelen, welke verantwoordelijke heden deze groepen krijgen, hoe er samengewerkt gaat worden, hoeveel deze groep eigenaar wordt in de maaltijd coöperatie en dergelijke.

Om het businessmodel te optimaliseren, moet er onderzoek gedaan worden naar kosten en baten. Aangezien duurzaamheid belangrijk is, moet dit een maatschappelijke kosten-batenanalyse worden. Daarnaast moet de afzetmarkt worden onderzocht. Wat is de vraag van de markt, en hoeveel maaltijden kunnen daadwerkelijk worden afgezet. Ten slotte wordt er aanbevolen om kleiner te starten. In de opstartfase worden de fouten geminimaliseerd. Zo kan de kwaliteit gewaarborgd worden en kan er in loop van de tijd uitgebreid worden zoals behandeld in dit onderzoek.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Internaliseren van externaliteiten - Een transparant model voor alternatieve prijsberekening (2018)

Door: A.M. Westra

Management samenvatting

De Gebiedscoöperatie Westerkwartier (hierna: GW) is een op innovatie gerichte coöperatie. Hun doel is het verbinden van ondernemers, natuurbeheerders, kennisinstellingen, overheden en burgers in de regio Westerkwartier. De GW is erg geïnteresseerd in hoeverre de producten van regionale ondernemingen duurzaam geproduceerd zijn en streven hierbij naar duurzame ontwikkeling. De GW denkt dat duurzame ondernemingen de toekomst zijn en een beter bestaansrecht hebben. Ze zijn hieromtrent geïnteresseerd in de mogelijkheden tot het ontwikkelen van een model dat duurzaamheid meetbaar kan maken in een alternatieve prijs, waarbij relevante externe kosten (ofwel: externaliteiten) gekwantificeerd worden. Het doel hierbij is het opstellen van een model waarmee leden van de GW duurzaamheid meetbaar kunnen maken. Het model moet in eerste instantie kunnen functioneren als accounting-tool, waarmee ondernemers ieder jaar kunnen meten hoe zij presteren en jaarlijks vooruitgang kunnen boeken. Na toepassing van een aantal jaar kan het model functioneren als control-tool, doordat ondernemers dan grip krijgen op de externaliteiten en hiermee vooraf prognoses kunnen opstellen en achteraf afwijkingen kunnen verklaren.

Aan de hand van de aanleiding en de doelstellingen van het onderzoek is de volgendeonderzoeksvraag geformuleerd:

Hoe kan de alternatieve prijs berekend worden voor de producten van de leden van de GW?

Vanuit de onderzoeksvraag zijn de volgende deelvragen geformuleerd:

  • Welk model voor Full Cost Accounting sluit het beste aan bij de eisen van de GW?
  • Op welke wijze kunnen de externaliteiten het beste worden toegerekend aan de producten?
  • Op welke wijze kunnen de grondslagen voor het kwantificeren van de diverse externaliteitenworden opgesteld?
  • Hoe ziet het meest geschikte model voor het berekenen van een alternatieve prijs eruit?
  • Op welke manier kan dit model voor de appels van Oudebosch worden uitgewerkt?

Modellen voor Full Cost Accounting omvatten berekeningsmethoden waarbij economische, ecologische, sociale en gezondheidskosten worden doorberekend. De tien belangrijkste modellen zijn tegen elkaar afgezet op basis van de eisen van de GW. Het model van de milieu-winst en verliesrekening van PUMA is hieruit gekozen als meest geschikte model. Binnen dit model werden 5 externaliteiten gekwantificeerd: externe gevolgen van luchtvervuilende stoffen, externe gevolgen van afvalverwerkingsmethoden waarbij verbranden en storten werd onderscheiden, externe gevolgen van watergebruik voor waterschaarste en externe gevolgen van conversie van grasland. De externaliteiten zijn door bepaling van de sociale kosten gekwantificeerd. Dit betekent dat er een schatting wordt gemaakt van de kosten voor de maatschappij die ontstaan door de betreffende externaliteit. Dit bleek ook de enige geschikte methode te zijn.

De methode van PUMA was toegepast op bedrijfsniveau. In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van prijzen op productniveau en dus moesten de kosten toegewezen worden aan de producten. De Activity Based Costing-methode is hiervoor in verband met praktische toepasbaarheid het meest geschikt bevonden. Het model is opgesteld en in de praktijk uitgewerkt voor de appels van Fruitteeltbedrijf Oudebosch over het jaar 2015. De totale hoeveelheid externaliteiten zijn onttrokken aan door dhr. Van Woudenberg beschikbaar gestelde rapporten en een CO2 footprint. Deze zijn met behulp van de bepaalde prijzen omgezet in de economische waarden. Door middel van Activity Based Costing zijn de verschillende externaliteiten vervolgens aan de kostprijs van de appels toegerekend. De alternatieve prijs van de appels van Oudebosch in 2015 is bepaald op EUR 1,71, waarvan slechts 1,28% uit externaliteiten bestaat. Het model kan door de GW verder als dienst worden toegepast.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Business Development Plan Drents Goed - Increasing production, with maintenance of authenticity (2018)

Door: Bas Martena

Management samenvatting

Drents Goed, a cooperation of for-profit suppliers of regional food products in the Dutch Province of Drenthe, is facing increased competition from (inter)national food suppliers. In order to differentiate from competitors, the organization expect that authenticity, in other words the regional character, of their products is their most important USP.

In this report, the importance of authenticity is being examined. Moreover, Drents Goed is provided with a Business Development Plan which the organization can use to increase its production. Finally, recommendations are being drawn for further research on the field of both trade- and brand marketing.

First of all, the food market is currently subject to change. Hence, consumers are increasingly buying their groceries online. Besides that, consumers have more choice than ever before when it comes to food products. For this reason, it is obviously crucial to offer visually outstanding products in order to gain optimal customer awareness. In addition, the importance of customer retention should not be underestimated in this market where the range of products is endless. Retaining a customer is generally about 4 times more profitable than gaining a new customer.

It is recommended for Drents Goed to increase the availability of its products. Not only in terms of physical supply, but more so visually on the field of advertising. Especially ecommerce is lacking and the researcher foresees auspicious opportunities to reach new customers and retain more loyal customers by connecting via social media and ultimately introduce an online membership system. The idea is that B2C customers pay a monthly fee in exchange for a continuous discount in combination with potential saving campaigns whereby customers get rewarded for their loyalty.

In addition to the opportunities in e-commerce, the organization still has room for improvement in terms of product attractiveness. Sensory attributes form one of the major purchasing drivers under food shoppers. Moreover, it is being noticed by the researcher that the visually outstanding products from Landwinkel Goense sell relatively well through the current selling points of Drents Goed. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Financiële mogelijkheden van verticale landbouw - Een onderzoek in opdracht van Gebiedscoöperatie Westerkwartier naar de financiële mogelijkheden voor het opzetten van een bedrijf in verticale landbouw in het stedelijk veld Groningen (2018)

Door: Onno Bosman

Management samenvatting

Door de bevolkingsgroei zal in 2050 naar verwachting 1 miljard hectare meer landbouwgrond nodig zijn dan wat beschikbaar is om de wereld te kunnen voeden (Vertical Farm, 2017). Landbouwers gebruiken momenteel veel pesticiden om de opbrengst te vergroten en plantziektes tegen te gaan. Deze pesticiden komen ook in grond en water terecht, wat leidt tot een zichtbare afname van vogels en insecten . Door de toename van gebruikte landbouwgrond wordt het effect op vogels en insecten alleen maar groter.

Een ander probleem, waar Groningen nu mee geconfronteerd wordt, is leegstand van winkelpanden en boerderijen (R.D., 2017). In totaal staan momenteel 12% van de winkelpanden in de provincie leeg (Overbewinkeling Groningen, 2017).

Om onder andere een oplossing te bieden aan de genoemde problematiek in voorgaande alinea’s, heeft Gebiedscoöperatie Westerkwartier een opdracht gecreëerd omtrent het opzetten van een bedrijf in verticale landbouw in het stedelijk veld Groningen. De opdracht bevat de volgende doelstelling: “Het onderzoeken van de financiële mogelijkheden om op een duurzame manier een bedrijf in verticale landbouw op te zetten in het stedelijk veld Groningen.”

Naast de genoemde doelstelling is een probleemstelling opgesteld. Deze is als volgt: “Welke financiële mogelijkheden zijn te vinden in het stedelijk veld Groningen om op een duurzame manier verticale landbouw op ondernemingsniveau op te zetten?” Met behulp van vier deelvragen is de hoofdvraag uitgewerkt.

Eerst zijn de kernwaarden van de op te zetten onderneming onderzocht. De kernwaarden zijn aan de hand van interviews, gevoerd bij verschillende partijen, gevonden. De belangrijkste kernwaarden voor de op te zetten onderneming betreffen innovatie, betrouwbaarheid en kwaliteit.

Naast het onderzoek naar kernwaarden, is contact gezocht met potentiële investeerders. Tijdens het zoeken naar geïnteresseerden zijn vijf potentiële investeringspartijen gevonden en geïnterviewd. Vervolgens zijn voorwaarden vanuit de potentiële investeerders vastgelegd, alvorens zij over gaan tot investeren.

Aan de hand van de onderzochte kernwaarden en voorwaarden is een theoretisch model opgesteld, gebaseerd op de SWOT-analyse. In dit model zijn de genoemde kernwaarden met de gestelde voorwaarden vergeleken en zijn op basis daarvan de meest geschikte potentiële investeerders geselecteerd. Uit het onderzoek is gebleken dat de Agrariër als potentiële investeerderspartij het meest geschikt is. Rabobank is op de tweede plaats gekomen.

Om potentiële investeerders een beeld te geven van een bedrijf in verticale landbouw, is een begroting opgesteld voor het opzetten van een bedrijf in verticale landbouw. Aangezien de begroting ter inzicht voor potentiële investeerders als functie heeft, zijn drie opties uitgewerkt. Het gemiddelde verwachtte te investeren bedrag kwam neer op €1.289.618,20, waarbij rekening gehouden moet worden met een potentiële afwijking van 20%.

Uit dit onderzoek is gebleken dat het financieel gezien mogelijk is om een bedrijf in verticale landbouw op te zetten. Om het voortbestaan van een bedrijf in verticale landbouw vast te stellen, is een vervolgonderzoek vereist.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

From Food Miles to Food Steps - Een coöperatief businessmodel om de voedselketen te verkorten (2018)

Door: J. Tienkamp

Management samenvatting

De Gebiedscoöperatie Westerkwartier verbindt verschillende partijen (ondernemers, onderwijs, onderzoek, overheid en de inwoners) in de regio en initieert maatschappelijke en economische innovatie. Eén van de speerpunten is de regionale voedselketen. Door voedsel lokaal aan te bieden wordt de voedselketen verkort. Hiernaast zijn er diverse ecologische, economische en sociale ontwikkelingen in het landelijk gebied van Groningen die vragen om een oplossing.

Om deze problemen het hoofd te bieden wil de Gebiedscoöperatie Westerkwartier een coöperatieve buurtwinkel starten, waarin regionaal voedsel op de markt wordt gebracht met inzet van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Mijn (afstudeer)opdracht bestond aanvankelijk uit het creëren van een businessmodel voor de coöperatieve buurtwinkel.

Uit onderzoek is echter gebleken dat er geen businessmodel voor een sociale onderneming aanwezig is. Traditionele businessmodellen zijn gericht op winst, terwijl een sociale onderneming zich richt op meervoudige waardecreatie. Een businessmodel wordt compact weergeven via een template. Door de voorwaarden van social entrepreneurship in de template te verankeren wordt het fundament gecreëerd voor een ondernemingsplan voor social entrepreneurship.

De centrale overkoepelende vraag van dit onderzoek luidt daarom: Vanuit welk traditioneel businessmodel kan een businessmodeltemplate worden ontwikkeld voor een coöperatieve buurtwinkel, waarin regionaal voedsel op de markt wordt gebracht met inzet van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt?

Op basis van de voorwaarden vanuit de literatuur en wensen van de Gebiedscoöperatie heb ik een voorlopig multiple bottom line (vanaf hier MBL) businessmodeltemplate ontwikkeld. Als inspiratie zijn de businessmodellen van Kemperman et al. en Osterwalder gebruikt. Het voorlopige MBL-businessmodeltemplate is getoetst in de praktijk. Bij vergelijkbare sociale ondernemingen zijn interviews gehouden. De gegevens uit de interviews zijn gebruikt voor toetsing van het voorlopige MBL-businessmodeltemplate. Op basis van mijn bevindingen is vanuit het voorlopige MBLbusinessmodeltemplatehet definitieve MBL-businessmodeltemplate ontwikkeld. Hiernaast zijn de lessons learned vanuit de geïnterviewde ondernemingen meegenomen in dit rapport.

Met het MBL-businessmodeltemplate heeft Gebiedscoöperatie Westerkwartier een template in handen waarmee alle bedrijfsaspecten van een sociale onderneming in kaart kunnen worden gebracht. Deze template vormt een mooie basis voor de uitwerking van het ondernemersplan.

Het door mij ontwikkelde MBL-businessmodeltemplate is geen statisch document. Gebruikers en deskundigen worden uitgenodigd de template nader te onderzoeken zodat verdere verbeterstappen gemaakt kunnen worden.

Er is een handreiking gegeven voor de eerste onderwerpen in het MBL-businessmodeltemplate. Vervolgacties met betrekking tot de coöperatieve buurtwinkel bestaan uit:

  • Het aanwijzen van een persoon voor de uitwerking van het verkoopproces.
  • Het aanstellen van een persoon met kennis van het sociaaldomein voor het arbeidsproces.
  • Het uitwerken van het marketingplan door een student marketing.
  • Laat een student de maatschappelijke kosten baten analyse (MKBA) onderzoeken.
  • Stel een student bedrijfseconomie aan voor het onderzoeken van de mogelijkheden van(financiële) bijdragen op macroniveau; de zogenaamde Social Impact Bonds.
  • Zodra de activiteiten van de coöperatieve buurwinkel volledig zijn uitgewerkt kan eenstudent bedrijfseconomie worden ingezet voor het opstellen van het financiële plan. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Welke verdienmodellen met open data zijn mogelijk voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier? - Een meta-analyse naar de ontwikkelingen van de open data markt (2018)

Door: Patrick Winters

Management samenvatting

Binnen dit onderzoek is gezocht naar de mogelijkheden voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier voor een verdienmodel met open data. Dit onderzoek is ingesteld aangezien de Gebiedscoöperatie Westerkwartier behoefte heeft aan een verdienmodel met open data waarmee ze haar financiële positie kan verbeteren. De onderzoeksvraag van dit onderzoek is als volgt geformuleerd: “Welke mogelijkheden zijn er voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier om een verdienmodel met open data te opereren?” Binnen dit onderzoek is er sprake van open data indien de data vrijelijk toegankelijk zijn, aangeboden worden in een gestandaardiseerd formaat en als hergebruik binnen de juridische grenzen valt. Ter beantwoording van deze vraag is onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen rondom open data en de verscheidene verdienmodellen met open data.

De ontwikkelingen rondom open data zijn opgesplitst in vijf delen: de globale ontwikkelingen, de opkomst van smart cities, vertragende factoren, dataportalen en kanttekeningen die geplaatst kunnen worden bij de ontwikkelingen van de open data markt. Er is momenteel de politieke wil vanuit overheidsinstanties om de open data markt te laten groeien, met als voornaamste reden het verhogen van de transparantie, daarnaast zijn er commerciële mogelijkheden verbonden aan het ontsluiten van open data. Dat leidt ertoe dat de hoeveelheid beschikbare open data groeiende is. De ontwikkeling van informatietechnologieën bieden steden de mogelijkheid om hun activiteiten te verbeteren, steden, die deze technologieën implementeren om zodoende hun activiteiten te verbeteren, worden smart cities genoemd. Door het implementeren van informatietechnologie hebben deze steden veel invloed op het regionale aanbod van open data. Het groeiende aantal smart cities leidt ertoe dat het aanbod van regionale open data sterk groeit. Maar de groei van de open data markt wordt enigszins vertraagd door de kosten die verbonden zijn aan het ontsluiten en het onderhouden van open data. Ondanks deze vertragende factoren is de open data markt in Nederland sterk gegroeid. Binnen Nederland is de agrarische open data markt relatief sterk ontwikkeld, de open data zijn alleen lastig te lokaliseren en niet altijd goed bruikbaar. Binnen deze markt zijn enkele bronnen van relevante open data vastgesteld. Deze zijn in staat om food gerelateerde open data te leveren die betrekking hebben op het stedelijk veld Groningen. Deze open data is relevant gezien het feit dat de Gebiedscoöperatie Westerkwartier, door de deelname aan het REFRAME traject, interesse heeft in verdienmodellen die betrekking hebben op de regionale food keten. Daarnaast bieden ze ondersteunende diensten aan, die ertoe moeten leiden dat de afnemer beter in staat is om gebruik te maken van de betreffende open data. Ten slotte zijn er kanttekeningen te plaatsen bij de beweegredenen om data te ontsluiten, de partijen die daadwerkelijk profiteren van open data en de houding en de visie van de organisaties die de data ontsluiten. 

Verscheidene mogelijke verdienmodellen met open data zijn geanalyseerd. Door het toepassen van bepaalde selectiecriteria zijn de relevante modellen vastgesteld. Elk van de modellen is duurzaam, is adviserend van aard en kan functioneren binnen de huidige situatie van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. Binnen enkele modellen is het mogelijk om open data te analyseren en te verwerken in een advies. Daarnaast is er de mogelijkheid om derden te ondersteunen bij het implementeren en het opereren van een verdienmodel met open data.

De combinatie van de groeiende open data markt met de mogelijke verdienmodellen met open data resulteert in mogelijkheden voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier voor een verdienmodel met open data.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Investeren in een indampsysteem voor de verwerking van digestaat (2018)

Door: Robert Akker

Management samenvatting

De opdrachtgever voor dit onderzoek is de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. Dit is een coöperatie die zich inzet voor de ontwikkeling binnen de regio door middel van het verbinden van overheidsinstellingen, onderwijs en ondernemers in de regio. Via de Gebiedscoöperatie Westerkwartier is er een opdracht ontstaan voor een ondernemer uit de regio Johannes van der Veen. De heer Van der Veen heeft een melkveebedrijf en heeft bij zijn bedrijf een bio vergistingsinstallatie waarmee hij biogas opwekt. Het restproduct van de vergistingsinstallatie is digestaat. Digestaat wordt als dierlijk mest gekwalificeerd wanneer de input van de vergistingsinstallatie voor meer dan 50% uit mest bestaat (Covergisting, 2017). De heer Van der Veen heeft net als veel boeren een mestoverschot. Dit landelijke overschot zorgt ervoor dat er voor de afzet van mest en digestaat betaald moet worden. Het doel van dit onderzoek is het aantonen of een investering in een indampsysteem voor de verwerking van digestaat in een kunstmestvervanger haalbaar is. De probleemstelling die hierbij hoort is: ‘In hoeverre is een investering in een indampsysteem bij melkveehouder J van der Veen haalbaar om kosten te besparen op de inkoop van kunstmest en de afzet van digestaat?’. De haalbaarheid wordt bekeken op drie vlakken. Wat is de economische haalbaarheid van deze investering? Wat is de ecologische impact van de investering? En zijn de risico’s van deze investering voldoende beheersbaar? In de economische en ecologische resultaten worden vier mogelijke situatiesvergeleken met de huidige situatie, waarin de afzetkosten van 12.750 ton digestaat €191.250, - per jaar zijn. De uitstoot van CO2 is daarbij 345.184 kg per jaar.

  1. Verwerking van de huidige hoeveelheid digestaat (12.750 ton), zonder verkoop of gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, de totale kosten zullen stijgen met € 11.760,29 naar € 203.010,29.De uitstoot van CO2 daalt naar 217.070,93 kg CO2 equivalent.
  2. Verwerking van de maximale hoeveelheid digestaat (21.300 ton), zonder verkoop of gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, de totale kosten zullen stijgen met € 83.903,07 naar € 275.153,07. De uitstoot van CO2 daalt naar 267.202,13 kg CO2 equivalent.
  3. Verwerking van de huidige hoeveelheid digestaat, met verkoop en gebruik van het concentraat als kunstmestvanger, een opbrengst van € 613.881,29. De uitstoot van CO2 daalt naar 42.571,73 kg CO2 equivalent.
  4. Verwerking van de maximale hoeveelheid digestaat, met verkoop en gebruik van het concentraat als kunstmestvervanger, een opbrengst van € 1.271.129,92. De uitstoot van CO2 daalt naar 71.218,13 kg CO2 equivalent.

Het break-even punt waarin de besparingen van de afzet gelijk zijn aan de kosten voor de verwerking van digestaat ligt bij het niet gebruiken van het concentraat op 14.555 ton digestaat. Bij het wel mogen gebruiken ligt deze grens op 1.584 ton.

Er is geen duidelijkheid wanneer het concentraat als kunstmestvervanger gebruikt mag worden. Wanneer het concentraat niet gebruikt mag worden als kunstmestvervanger is het economisch niet rendabel om te investeren in dit systeem. Voor dit risico is de enige maatregel, wachten met het investeren in dit systeemtotdat er meer duidelijkheid is over de wetgeving omtrent gebruik van concentraat als kunstmestvervanger. Economisch is de investering alleen haalbaar wanneer het concentraat als kunstmestvervanger gebruikt mag worden. Ecologisch gezien wordt er in elke situatie winst behaald door verlaging in uitstoot van CO2. Het grootste risico is niet voldoende beheersbaar.

Het advies is dan ook om de investering uit te stellen totdat er voldoende zekerheid is dat het concentraat wettelijk gezien als kunstmestvervanger gebruikt mag worden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Regionaal inkopen bij zorginstellingen – Het REFRAME project (2017)

Door: Lineke Eimers

Management samenvatting

Dit rapport gaat over de behoefte van zorgorganisaties op het gebied van voeding en de bereidheid om in de toekomst regionale producten af te nemen van de regionale voedselketen. De economische ontwikkelingen in de provincies Groningen, Drenthe en Friesland hebben een enorme impact op de voedselindustrie. Doordat er veel geëxporteerd wordt naar het buitenland blijven verwerkingsbedrijven niet meer bestaan, waardoor banen in het landelijk gebied verdwijnen. Om de economie in de regio te stimuleren is het REFRAME-project opgericht. Het project wordt geleid door de gebiedscoöperatie Westerkwartier.

Het project is opgestart met als doel de economie in de regio te stimuleren door het ontwikkelen van een regionale voedselketen. Dit is een keten waarin de voedselproductie, vervaarding, verwerking, consumptie en afvalverwerking plaatsvindt binnen een bepaald grensgebied. Het project richt zich op bulkproductie en grote afnemers in de regio. Om de regionale voedselketen op te zetten is het van belang dat er voldoende vraag is vanuit de markt. In dit onderzoek wordt de vraagkant in het zorgsegment onderzocht.

Het doel is om de eisen, voorwaarden en wensen van grote afnemers in het zorgsegment inzichtelijk te maken om uiteindelijk te bepalen of de regionale voedselketen in de toekomst een preferred supplier kan zijn voor de potentiele afnemers. Hierbij is de volgende hoofdvraag opgesteld: ‘Welke functionele eisen, voorwaarden en wensen stellen grote afnemers in de zorg binnen de regio aan de voedselproducten en welke concurrentiepositie heeft het REFRAME-project ten opzichte van de potentiele afnemers?’.

De belangrijkste eisen die gesteld worden aan voedselproducten zijn voedselveiligheid, kwaliteit, prijs en dat de producten bewerkt geleverd worden. Voedselveiligheid is vooral gericht op de richtlijnen van de HACCP. De richtlijnen van de HACCP worden door de medewerkers in de keuken controleert volgens afvinklijsten. Kwaliteit heeft te maken met goede en gezonde producten. De kwaliteit wordt door de medewerkers in de keuken gecontroleerd. Wanneer het niet voldoet aan de eisen, worden de producten teruggestuurd. Zorginstellingen focussen meer op prijs dan ziekenhuizen. Dit heeft de reden dat zorginstellingen de maaltijden doorberekenen aan de bewoners. De maaltijden mogen daarom niet te duur aangeboden worden. Uit het onderzoek blijkt dat de doelgroep ouderen weinig belang hechten aan regionale producten. Als laatste is het belangrijk dat de producten zo bewerkt mogelijk geleverd worden, omdat de instellingskeukens er niet op ingericht zijn om veel arbeid te verrichten. Dit kost tijd en dus geld. Leveranciers moeten over relevante certificaten beschikken. Hier is voedselveiligheid een onderdeel van.

De leveranciers dienen de richtlijnen van de HACCP te volgen om bijvoorbeeld de voedingsproducten te vervoeren en te koelen. Uit het interview blijkt dat om de samenwerking met de leverancier te bevorderen een klik erg belangrijk is. Voor zorginstellingen die grote hoeveelheden voedingsproducten afnemen is het belangrijk dat de organisaties leveringszekerheid hebben. Producenten moeten constante levering kunnen bieden. Dat betekent dat de productie dermate groot moet zijn om in de vraag van de afnemers te kunnen voorzien. De eisen die genoemd zijn hebben ook betrekking op de eisen die gesteld worden aan de toekomstige regionale voedselketen.

De concurrentiepositie voor het REFRAME-project is positief wanneer het zich concentreert op de organisaties die bereid zijn om regionaal in te kopen. Er zijn weinig leveranciers die een breed assortiment aan regionale producten leveren, waardoor het REFRAME-project zich kan onderscheiden. De organisaties die zich meer willen focussen op regionale inkoop zijn het Martiniziekenhuis in Groningen, het ziekenhuis Nij Smellinghe in Drachten en Lentis in Zuidlaren. Het advies is om met deze organisaties een relatie op te bouwen en samen te werken aan de regionale voedselketen.

Om inzicht te krijgen in wat organisaties inkopen op het gebied van vlees, aardappelen, groente, fruit en zuivel dient er een vervolgonderzoek uitgevoerd te worden. Deze informatie zorgt voor een indicatie van wat er geproduceerd zou moeten worden om in de vraag van afnemers te voorzien. Om de juiste gegevens te verzamelen wordt ingeschat dat dit veel tijd kost.

Organisaties zijn op zoek naar een logistieke partner die de regionale inkoop kan organiseren. Een nieuwe distributiekanaal opzetten is op korte termijn niet haalbaar, daarom is het advies om onderzoek te doen naar een groothandel met een distributiecentrum die wil bijdragen aan het ontwikkelen van een regionale voedselketen. Deze schakel heeft als rol om de producten in ontvangst te nemen, te verdelen en in één vrachtwagen te vervoeren naar de locaties.

Tot op heden is het niet bekend of regionale producten duurder worden. Om de potentiële afnemers beter te kunnen informeren is het van belang dat dit inzichtelijk wordt gemaakt. Het advies is om voor dit vraagstuk een afstudeeropdracht te maken. Het is belangrijk dat voor het project prioriteiten worden vastgesteld die behaald kunnen worden in de tijd dat het project nog bezig is.

Uit de resultaten blijkt dat de impact op het financiële resultaat van de voedingsinkopen hoog is bij zorgorganisaties. Uit de interviews blijkt dat in zorginstellingen veel bezuinigd wordt en niet de financiële ruimte hebben om duurdere producten in te kopen als er ook producten zijn met goede kwaliteit voor een lagere prijs. Als de situatie geschetst wordt dat regionale producten duurder zijn, zal dit een nog hogere impact hebben op het financiële resultaat. Daarnaast moet de afweging gemaakt worden of de organisaties deze hogere kosten kunnen dekken. In het geval van zorginstellingen worden de maaltijden doorberekend naar de bewoner. Dit betekent dat de maaltijden duurder worden. Uit de resultaten blijkt dat ouderen niet graag een euro meer betalen voor de maaltijden. Dit zal dus een overwogen financiële beslissing moeten zijn van de organisaties. In zorginstellingen wordt er al veel bezuinigd en daarom is de vraag of het bestuur van de organisatie wil investeren in de voedselvoorziening.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Een case voor streekkaas (2017)

Door: Jesse Kraak

Management samenvatting

Melkveehouders staan sinds de kredietcrisis sterk onder druk. Strikte milieuwetten en onstabiele en vaak lage melkprijzen maken het lastig voor melkveehouders om hun hoofd boven water te houden. Als deelnemer aan het REFRAME-project, een multinationaal project voor de stimulatie van de regionale voedselketens, komen de belangen van Gebiedscoöperatie Westerkwartier tijdens dit onderzoek samen met die van de melkveehouders.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Gebiedscoöperatie Westerkwartier om te oordelen over de haalbaarheid van een coöperatie voor het duurzaam en maatschappelijk verantwoord produceren van streekkaas in Middag-Humsterland voor de levering aan grootkeukens en horecagelegenheden in het gebied Westerkwartier. Om dit doel te verwezenlijken is de volgende hoofdvraag geformuleerd: “In hoeverre is het haalbaar een levensvatbare ‘Regiokaas coöperatie’ voor het regionaal maatschappelijk verantwoord produceren van streekkaas voor de levering aan lokale grootkeukens en horecagelegenheden op te richten in Middag-humsterland”. Om deze hoofdvraag te beantwoorden moet de Regiokaas coöperatie eerst in kaart worden gebracht aan de hand van een businessmodel, om vervolgens een situatieanalyse uit te voeren op basis van dit businessmodel.

Als eerst zijn in dit onderzoek een aantal kwalificerende businessmodellen uitgelicht. Uit dit onderzoek bleek dat het Canvasmodel van Osterwalder en Pigneur de meest geschikte basis is voor de situatieanalyse. In het Canvasmodel ontbreekt echter de meervoudige waardecreatie die van het model wordt geëist. Door onderdelen van de theorie van Bocken en het New Business Model te integreren in het Canvasmodel, is een model ontworpen dat goed past bij de eisen vanuit de Gebiedscoöperatie en dit onderzoek. Voor het ontworpen model verder ingevuld kon worden, moest een aantal onderdelen verder onderzocht worden.

Uit interviews, veldonderzoek en deskresearch bleek dat de productie, de doelgroep, het transport en de verwerking van kaaswei verder onderzocht dienden te worden voor het model ingevuld kon worden. Deze factoren zijn onderzocht en in kaart gebracht. Vervolgens is aan de hand van een interview met de directrice van Kaasboerderij de Gelder, deskresearch en literatuur- en veldonderzoek het businessmodel ingevuld. Dit ingevulde model is beoordeeld en aangepast aan de hand van een brainstormsessie met alle geïnteresseerde melkveehouders en een interview met een medewerker bij Gebiedscoöperatie Westerkwartier. Zo is het model vanuit vier verschillende perspectieven opgesteld en beoordeeld.

Nadat de Regiokaas coöperatie aan de hand van het businessmodel in kaart was gebracht, kon er een situatieanalyse worden uitgevoerd. Om de situatie van de Regiokaas coöperatie te analyseren zijn drie analysemethodes toegepast. Als eerste is de macro-omgeving beoordeeld op basis van de DESTEP-analyse. Vervolgens is de meso-omgeving geanalyseerd aan de hand van het Vijfkrachtenmodel van Porter. Tot slot is aan de hand van de twee voorgaande analyses en de eerder beantwoorde deelvragen een SWOT-analyse uitgevoerd. De resultaten van deze SWOT-analyse zijn in een confrontatiematrix tegenover elkaar gezet. Zo is er een duidelijk beeld geschetst van de situatie waar de Regiokaas coöperatie zich in zal bevinden en in hoeverre de Regiokaas coöperatie met deze situatie kan omgaan.

Uit dit onderzoek is gebleken dat het niet haalbaar is om een levensvatbare Regiokaas coöperatie op te richten voor de levering aan regionale grootkeukens en horecagelegenheden zoals afgebeeld in dit onderzoek. In een markt met grote concurrentie is de Regiokaas coöperatie met een productievolume van 1.000 kg kaas, te groot om de afzet te kunnen waarborgen. Indien de afzetproblemen kunnen worden opgelost, wordt de Regiokaas coöperatie als haalbaar beoordeeld. De vraag naar streekproducten groeit en het gebied Middag-Humsterland leent zich wegens de infrastructuur, ligging en als nationaal landschap goed voor de productie van streekproducten. Daarnaast zijn de ontwikkelingen rondom de regionale voedselketen en de ontwikkelingen binnen het gebied MiddagHumsterland kansrijk voor de Regiokaas coöperatie. Tot slot geeft de coöperatieve aanpak de Regiokaas coöperatie een betere leveringszekerheid dan de concurrerende streekkazen.

De volgende drie opties worden aanbevolen voor het oplossen van het afzetprobleem. Ten eerste kan het betreden van andere afzetmarkten de afzet verhogen. Ten tweede kan de coöperatie naast kaas ook andere zuivelproducten produceren, dit verlaagt de afzet van kaas en vergroot het assortiment van de coöperatie. Ten derde kan een kleinere coöperatie met minder leden worden opgericht. Mogelijk zal een combinatie van deze opties tot het beste resultaat leiden. Daarnaast

Naast het oplossen van het afzetprobleem wordt ook aanbevolen om vervolgonderzoek te doen naar de mogelijkheden om kaaswei te verwerken op de schaalgrote van de Regiokaas coöperatie. Door de kaaswei te verwerken wordt een milieubelastende afvalstroom verwerkt tot hoogwaardig product. Dit zal de milieuvriendelijkheid van de kaasproductie vors verbeteren.

Tot slot wordt geadviseerd om kleiner te beginnen en in de loop van tijd uit te breiden tot een variant van de Regiokaas coöperatie zoals behandeld in dit onderzoek. Zo worden afzetproblemen en risico’s vermeden of verminderd.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Vleescoöperatie Grasbief - Een beheersbare en risico-arme vleescoöperatie (2017)

Door: Dennis Plat & Jacqueline Tabak

Management samenvatting

Nu het melkquotum is afgeschaft zit er een dalende lijn in de melkprijzen. Melkveehouders kampen met hoge lasten en lage opbrengsten. We hebben gezien dat het vlees in grootkeukens en supermarkten vaak niet uit de eigen regio komt. Hier ligt een kans; als melkveehouders naast hun melkvee ook vleeskoeien gaan houden kunnen ze meer opbrengsten genereren. Gebiedscoöperatie Westerkwartier wil graag een keten opzetten om die kans te verwezenlijken. Hiertoe wil ze de betrokken partijen laten samenwerken in een coöperatie.

Het doel van ons onderzoek was om te achterhalen welke structuurvorm voor een coöperatie het beste is om diverse partijen te laten samenwerken en hoe dit georganiseerd kan worden. Hiervoor is de volgende probleemstelling opgesteld: Hoe kun je een coöperatie vormgeven met daarin de partijen: Gebiedscoöperatie Westerkwartier, melkveehouders en Staatsbosbeheer?De doelstelling van dit rapport luidt als volgt:

Een advies uitbrengen over een geschikte organisatiestructuur met daarin de partijen: Gebiedscoöperatie Westerkwartier, melkveehouders en Staatsbosbeheer.

Een coöperatie is ontstaan uit de vereniging, het grote verschil met de vereniging is dat de coöperatie winstuitkeringen mag doen en de vereniging niet. De coöperatie is een hele vrije rechtsvorm; in de wet wordt niet veel geregeld. Daarnaast mag vaak van de onderwerpen die in de wet behandeld worden afgeweken worden door statutair andere afspraken te maken.

De volgende structuurvormen kunnen worden onderscheiden: de coöperatie, de topcoöperatie met coöperaties eronder en de coöperatieve BV of NV. Daarnaast zijn er verschillende structuurmiddelen gevonden. Structuurmiddelen gaan in op de interne organisatiestructuur van een coöperatie zelf en kunnen bij de verschillende coöperatieve organisatiestructuren worden toegepast. De volgende structuurmiddelen werden onderscheiden: de administratieve stichting, de werk BV, het one-tier-board en het RvC+ model.

Voor Gebiedscoöperatie Westerkwartier werd al gauw duidelijk dat de structuur met een topcoöperatie of de coöperatieve BV de beste keuze zou zijn. Deze organisatiestructuren genieten dan ook de aanbeveling in dit rapport.

Tot slot is er gekeken naar bestuurs- en beheersrisico’s van een coöperatie. De belangrijkste conclusie is dat bij het opstellen van de statuten gekozen moet worden voor een goede jurist, deze kan helpen de meeste risico’s te elimineren. De overige risico’s kunnen afgedekt worden door een orgaan in te stellen die toezicht houdt op het bestuur en het bestuur ondersteund waar nodig.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

De vleescoöperatie - ‘’Een onderzoek naar een nieuw duurzaam businessmodel’’ (2017)

Door: Erwin Bos

Management samenvatting

De gebiedscoöperatie Westerkwartier is een coöperatie voor het hele Westerkwartier. Zij onderscheiden zich van andere coöperaties doordat zij zich niet bezig houden met één branche, maar zich inzetten voor alle leden in het Westerkwartier. De gebiedscoöperatie houdt zich vooral bezig met het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor hun leden.

Een aantal van deze leden zijn melkveehouders. Melkveehouders in Nederland en in het Westerkwartier hebben het zwaar. De melkprijs is laag en het lijkt er niet op dat deze zich in de nabije toekomst gaat verbeteren. Om extra inkomsten te genereren is men op het idee gekomen om ook vlees te gaan verkopen van melkkoeien. De veehouders zullen hun koeien weiden in gebieden beschikbaar gesteld door Staatsbosbeheer. Deze unieke samenwerking moet er voor zorgen dat er vlees geproduceerd wordt in de regio en ook in de regio afgezet wordt. Uiteindelijk zal hierdoor de gehele regionale vleesketen in handen komen van de veehouders. De vleescoöperatie moet de eerste schakel worden van de regionale vleesketen.Naar aanleiding van het bovenstaande is er een probleemstelling geformuleerd. Deze luidt:

Hoe ziet het nieuwe businessmodel voor de vleescoöperatie eruit waarbij meervoudige waardewordt gecreëerd voor de stakeholders van de vleescoöperatie?

Om de deelvragen te beantwoorden zijn de volgende deelvragen geformuleerd:

  • Welke belangen en waarden hebben de stakeholders van de op te richten vleescoöperatie en hoe wordt dit verwerkt in het businessmodel?;
  • Wat zijn de kosten en baten voor de vleescoöperatie als er een begin wordt gemaakt met de verkoop van vlees van afgemolken koeien?;
  • Hoe komt het businessmodel eruit te zien voor de vleescoöperatie en hoe wordt er meervoudige waarde gecreëerd?

Aan de hand van literatuuronderzoek, interviews en gesprekken met betrokken partijen is onderzocht hoe de vleescoöperatie eruit zal komen te zien. Waarbij belangrijke waarden meegenomen moeten worden in het businessmodel. Daarnaast is er gekeken hoe er van ‘afval’ waarde kan worden gecreëerd en hoe er meervoudige waarden kan worden gecreëerd voor de vleescoöperatie. Uiteindelijk wordt er een invulling gegeven aan het nieuwe businessmodel voor de vleescoöperatie rekening houdend met de meervoudige waarden. Meervoudige waarden zijn waarden die niet alleen financieel voordeel betreffen, maar ook voordelen meebrengen voor sociale waarde en ecologische waarde. Dit onderzoek is van kwalitatieve aard. Er is veel fieldresearch gedaan om tot de antwoorden te komen. Daarnaast is er literatuuronderzoek gedaan naar verschillende businessmodellen waar rekening gehouden wordt met de drie P’s. De drie P’s staan voor Planet, Profit en People.

De belangrijkste waarden die meegenomen moeten worden in het businessmodel zijn duurzaamheid en dierenwelzijn. Duurzaam ondernemen is dus een vereiste, hierom is er alleen literatuur onderzoek gedaan naar duurzame businessmodellen. Ook is er gekeken hoe dierenwelzijn toegepast kan worden in het onderzoek. Een van de belangrijkste eisen is dat er weidegang komt voor de vleeskoeien. Weidegang levert niet alleen romantische plaatjes op in het landschap, de koeien blijken er ook gezonder van te worden. Echter, is het weiden van vleeskoeien op een grote schaal een ongebruikelijk iets en brengt dit de nodige problemen met zich mee. In het onderzoek wordt ingegaan op de aanpak van deze problemen. Als tweedewordt beschreven hoe er meerwaarde gecreëerd kan worden aan afgemolken koeien. Door deze koeien een tweede leven te geven kan er naast financieel voordeel ook een ecologisch voordeel behaald worden. Als laatste wordt er definitief invulling gegeven aan het nieuwe businessmodel en wordt de hoofdvraag beantwoord.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Onderzoek “ nieuw” duurzaam business model slachterij regionale korte natuurvleesketen (2017)

Door: Danie van Eijnsbergen

Management samenvatting

De agrarische veehouderijen hebben op het moment te maken met een aantal problemen. De prijs van de melk staat al een poos onder druk. De agrarische veehouderijen in het Westerkwartier zijn veelal kleine bedrijven met weinig tot geen uitbreidingsmogelijkheden. Omdat de melkprijs daalt zijn de boeren op zoek naar een alternatief waar ook een deel van de opbrengst uit behaald kan worden.  Om voor deze problemen een oplossing te vinden is er een onderzoek gestart om te kijken of het mogelijk is om een regionale keten op te zetten voor natuurvlees. Het doel van de uiteindelijke korte natuurvleesketen is dat er op een duurzame manier wordt geproduceerd en binnen de regio. De schakels uit de keten zullen een stap verder moeten gaan en naast alleen economische waardecreatie ook sociaal en ecologisch waarde kunnen toevoegen.  Door deze verandering zullen er nieuwe business modellen ontwikkeld moeten worden omdat de huidige modellen geen of weinig rekening houden met een duurzaamheidselement.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. Dit onderzoek geeft een beeld hoe het nieuwe business model eruit kan zien voor de slachterij in de keten. Voor het onderzoek is de volgende hoofdvraag geformuleerd:

Op welke manier kan het nieuwe business model voor de slachterij in de korte natuurvleesketen worden ingericht, daarbij rekening houdend met economische, ecologische en sociale aspecten

Om antwoord op de hoofdvraag te kunnen geven is er gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethodes. Middels een literatuuronderzoek is gekeken welk business model geschikt was voor de slachterij, en hoe een duurzaamheidselement toegevoegd kon worden. Door het Canvas model te combineren met het model van Nancy Bocken kan er meervoudige waarde worden gecreëerd omdat onder de waardepropositie maatschappij, omgeving en economie zijn toegevoegd.

De huidige situatie van de slachterijen in de regio Groningen is aan de hand van het Canvas model geschetst. Hieruit komt naar voren dat er verschillende slachterijen gevestigd zijn in de regio. De slachterijen hebben veel te maken met strenge wet- en regelgeving, dit maakt het soms moeilijk om te blijven bestaan of uit te breiden. De slachterijen zijn voor een groot deel op de regio gericht, om zo de voedselkilometers laag te houden en zo het dier zo min mogelijk te belasten. De inkomsten van de slachterijen bestaan voor een groot deel uit de verkoop van vlees en een klein deel van de omzet uit  verkoop van huiden, vet enz.

Om de kansen en bedreigingen van de slachterij in de regionale korte natuurvleesketen in kaart te brengen is er gebruik gemaakt van verschillende analyses, namelijk de DESTEP analyse, het Vijfkrachtenmodel van Porter en de SWOT-analyse. De gegevens uit deze analyses zijn samengebracht in een confrontatiematrix. Kansen die hier duidelijk naar voren komen is dat de slachterij haar regioafzet zo kan vergroten maar dat zij hier nauw moet samenwerken met schakels in de keten. Enkele punten waar aandacht aan besteed moet worden is dat natuurvlees nog geen naamsbekendheid heeft en dit kans geeft voor grote concurrenten uit de omgeving om een soortgelijk product op de markt te zetten.

Het invullen van het nieuwe business model is gebeurd aan de hand van informatie uit interviews met verschillende schakels. Tijdens het ontwikkelen van het business model is er gekeken hoe er niet alleen meerwaarde voor de slachterij gecreëerd kan worden, maar ook voor de maatschappij en  milieu/omgeving. Ten opzichte van het oude business model zijn er een aantal veranderingen, Zo krijgt de slachterij met meer partners te maken die belangrijk zijn voor de werking van het business model. Zo wordt er geopperd dat er een aanbodcoöperatie kan worden opgericht met veehouderijen en mesterijen. Dit sluit mooi aan bij een van de zeven kenmerken van nieuwe business modellen van Jan Jonker. Een aantal belangrijke punten voor het doen slagen van de keten zijn openheid, transparantie, kennis delen en communicatie. Door middel van deze samenwerking in de keten kunnen er meerwaarde en schaalvoordelen ontstaan. Zo zal er, omdat er alleen in de regio wordt geproduceerd, minder C02 uitstoot zijn, dit omdat de transportkilometers lager zijn, dit komt ook ten goede aan de dieren. Ook zal er werkgelegenheid kunnen ontstaan en zal de regionale economie verbeteren. Door eerlijke toegevoegde waardeverdeling zal de financiële weerbaarheid in het bijzonder van de agrarische veehouderijen verbeteren. 

Op basis van dit onderzoek wordt aanbevolen om een business model voor de hele keten op te stellen in samenwerking met alle ketenpartners. Dit ook om vertrouwen te creëren tussen de schakels in de keten. Verder zal er een kostprijsberekening moeten worden opgesteld voor het natuurvlees, en een kwaliteitshandboek voor alle schakels in de keten. Eventuele vervolgonderzoeken zouden zich kunnen richten op reststromen in de keten, financiering in de keten, en de vraagkant.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Duurzaam & regionaal voedingsinkopen, is er vraag? - Huidige voedingsinkoop en toekomstplannen van grote horecaorganisatie als potentiële afnemers van het REFRAME-project (2017)

Door: Martijn Bakker

Management samenvatting

De agri-food sector is een belangrijke sector in Noord-Nederland. Verschillende economische ontwikkelingen leiden er toe dat in de komende 20 – 30 jaar 50% van de bedrijven in de agri-food sector in Noord-Nederland zullen sluiten. Door schaalvergroting, kostprijsverlagingen, vergaande efficiency en rationalisering overleven alleen de grootste ondernemers. Deze ondernemers produceren vooral bulk voor export en ontvangen hiervoor een bodemprijs. Het REFRAME-project wil de lokale economie stimuleren door het realiseren van een regionale voedselketen, ingericht op grote volumes.

In dit onderzoek zijn grote horecaorganisaties als potentiële afnemers van een regionale voedselketen onderzocht. Het onderzoek geeft inzicht in wie potentiële afnemers zijn, wat en hoe de potentiële afnemers voedingsproducten inkopen en wat de visie is ten opzichte van duurzaam en regionaal inkopen.

Het onderzoek heeft eerst 11 potentiële afnemers geïdentificeerd doormiddel van deskresearch. Vervolgens is een deel van de potentiële afnemers geïnterviewd en zijn resultaten geanalyseerd. Op basis van de resultaten is bepaald wat de onderhandelingspositie van het REFRAME-project is.

Potentiële afnemers hebben een dominante onderhandelingspositie. Er is sprake van een groot leveranciersaanbod. Dit biedt de organisaties de mogelijkheid om (doormiddel van een grote kostenfocus) de prijzen zo ver mogelijk te drukken en optimale eisen voor de eigen bedrijfsvoering af te dwingen. De commerciële potentiële afnemers sluiten geen contracten en wisselen eenvoudig van leverancier. Om te leveren aan potentiële afnemers dient de leverancier zich zo coöperatief en flexibel mogelijk op te stellen. Tevens dient de leverancier te voldoen aan de strenge logistieke eisen van potentiële afnemers. De leverancier dient van maandag tot en met zaterdag één keer per dag alle goederen te leveren.

De meest aantrekkelijke potentiële afnemer is de publieke organisatie De Oosterpoort & De Stadsschouwburg (DODS). DODS is van plan om te groeien naar een 100% duurzame en regionale voedselvoorziening. Op dit moment zijn er geen duurzame, regionale leveranciers die kunnen voorzien in de vraag van DODS. Dit biedt grote kansen voor de regionale voedselketen van het REFRAME-project. Vanuit het standpunt dat de regionale voedselketen wil voorzien in de grootste volumes is DODS een aantrekkelijke organisatie. De kans dat commerciële, potentiële afnemers willen participeren in de regionale voedselketen is klein. DODS toont bovengemiddelde interesse in duurzame en regionale producten. Doormiddel van het Dutch Windmill model is vastgesteld dat DODS en het REFRAME-project moeten werken aan een lange termijn samenwerking. Deze samenwerking kan een vorm aannemen waar gezamenlijk wordt gewerkt aan productontwikkeling.

Om de aantrekkelijkheid van de regionale voedselketen te vergroten, is aanbevolen om bestaande logistieke netwerken te gebruiken voor de distributie van goederen. Een efficiënt logistiek proces is zeer belangrijk voor de potentiële afnemers. Gezien de duur van het project (2016 – 2019) is het niet waarschijnlijk dat het project binnen anderhalf jaar een eigen logistiek netwerk op kan zetten dat verwerkte regionale producten verzamelt, sorteert en distribueert naar afnemers. Door gebruik te maken van bestaande logistieke netwerken waarborgt het REFRAME-project goede invulling van de logistieke voorwaarden van potentiële afnemers.

Tevens is aanbevolen dat het REFRAME-project vanuit ethisch perspectief moet blijven waken voor een goede prijs voor de producenten. Het project is gestart om de lokale economie te stimuleren en de producenten een betere prijs te bieden voor hun producten. Potentiële afnemer zullen bij onderhandelingen proberen de prijs per kilogram zo ver mogelijk te drukken. Dit komt voort uit de kostenfocus onder de potentiële afnemers. Indien het REFRAME-project besluit te leveren voor bodemprijzen, realiseert het de gewenste afzet in een regionale voedselketen. Echter, het loopt haar doel mis; het stimuleren van de lokale economie.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Thesis - The cooperation model for a regional food framework (2017)

Door: Sem Koolstra

Management samenvatting

Many mass caterers in the region of Groningen buy products from all over the world. Only a few of the goods bought are locally produced, even though many food producers are established in the region of Groningen. To aid local food producers to beat national and foreign competition as well as to increase efficiency in the food chain, this thesis explores the opportunities to establish a regional food framework; food that is produced, processed and consumed regionally. To date, only small scale regional food frameworks have been initiated; it is sometimes seen as a challenge to implement it on large scale. A cooperation is an organization of individuals who unite their needs through an enterprise, and such a cooperation model seems to be a suitable model to organize regional food chains.

This thesis investigates regional food chains and the work was commissioned by the company Westerkwartier Gebiedscoöperatie (WGC) together with the research group sustainable entrepreneurship of Willem Foorthuis. WGC’s mission is to encourage and support the establishment of sustainable cooperative models within the region of Groningen.

This research aims to explore the opportunities and conditions for the regional food framework cooperation and specific food industries potential for such framework. Based on sustainability as indicator, the following research question is formulated: To what extent can actors in the food chain establish a sustainable cooperation to provide mass caterers regional food? Sustainability is measured using three factors: social, environmental and economic influence.

Several conditions should be met to successfully initiate the regional food framework. Significant partners that should participate in the multi stakeholder cooperation are farmers, food processors and mass caterers. The parties must be committed for the long term. This is necessary to improve the exchange of resources, transparency of products, regional economy, environment and even customer health.

In environmental influence terms, CO2 emissions can only be reduced when logistics is organized extremely efficient, only on the long term the reduction of CO2 emission would be feasible. Furthermore, the circular economy principle of processing food residual to cattle feed offers opportunities for environmental influence. This would mean that natural resource suppliers as cattle feed producers could be included in the cooperation as well. Another opportunity is the involvement of social employment that could reduce costs and increase the social influence.

In this thesis the sustainability of the meat, dairy and legume industry are measured when a local food framework is implemented. Analysis shows that a regional food framework is not appropriate for the dairy industry, whereas the meat industry offers opportunities for a cooperation, and the legume industry could profit from a collaboration.

The report shows that the prospects of a regional food framework cooperation are positive. Only three industries are analysed in this thesis, and two industries are considered to benefit the regional food framework. Although such framework requires significant changes in the operating models of all actors in the cooperation and only can be achieved if all actors commit for the long term. Sustainability indicators should be included in the cooperations policy in order to achieve shared goals and needs.

For WGC, it is recommended to fill the coordinating role for the cooperation. WGC can best function as a mediator for communication, the exchange of knowledge, resources and as a supervisor. As a result, WGC may be able to eliminate time and knowledge limitations of actors in the food chain, and the chance of a successful regional food network will be increased.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

“Sustainable and regional procurement. Better for people and environment.” (2017)

Door: Marcha Nuiten

Management samenvatting

Het platteland van Groningen heeft al een aantal jaren te maken met maatschappelijke problemen, zoals leegloop en werkloosheid. Jonge mensen vertrekken naar de stad of naar andere delen van Nederland. Dit zijn twee redenen waarom de Gebiedscoöperatie Westerkwartier is opgestart. De Gebiedscoöperatie is opgestart in samenwerking met AOC Terra, Staatbosbeheer en Landschapsbeheer Groningen. In 2016 heeft de Gebiedscoöperatie samen met Willem Foorthuis, van het Lectoraat Duurzaam Coöperatief Ondernemen van de Hanzehogeschool, het project REFRAME opgezet. Dit is in samenwerking gegaan met de gemeente Groningen.

Het project heeft als doel een regionale voedselketen te ontwikkelen. Dit onderzoek is daar een onderdeel van, namelijk door het onderzoeken van de vraagkant. Welke eisen stellen de potentiële afnemers in de regio en hoe is de voedselvoorziening op dit moment geregeld?

Dit onderzoek richt zich specifiek op scholen en grote kantoororganisaties. Het middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs vallen onder de groep scholen. Bij de grote kantoororganisaties heeft de onderzoeker zich gericht op publieke organisaties met meer dan 500 medewerkers.

De probleemstelling van dit onderzoek is als volgt: “Er is onvoldoende informatie bekend over de inkoop van voedselproducten bij scholen en grote kantoororganisaties binnen de forensische zone van Groningen. Het is niet bekend welke eisen er aan deze inkoop worden gesteld”.

Aan de hand van deze probleemstelling is er een doelstelling geformuleerd: “Het doel van dit onderzoek is door middel van interviews erachter komen wat de wensen en eisen zijn die scholen en grote kantoororganisaties stellen aan de voedselproducten die worden ingekocht en de leveranciers daarvan. Aan de hand van onder andere deze informatie kan er een regionale voedselketen worden ontwikkeld. Hiermee willen de projectleden in de toekomst voorkeursleverancier worden van grote afnemers in de regio”.

Voor dit onderzoek is de volgende hoofdvraag opgesteld: “Wat zijn de eisen die scholen en grote kantoororganisaties binnen de regio stellen aan de inkoop van voedselproducten en de leveranciers daarvan, wat zijn hierbij de financiële en juridische verplichtingen en is er interesse voor het inkopen van voedselproducten bij een regionale voedselketen?”

Er is in dit onderzoek gebruikt gemaakt van kwalitatief onderzoek in combinatie met literatuuronderzoek en kwantitatief onderzoek. Voor het uitzoeken van de grote kantoororganisaties en scholen in de vastgestelde regio is er gebruikt gemaakt van databases binnen de Hanzehogeschool Groningen. Aan de hand van deze resultaten zijn er uiteindelijk zeven mensen van scholen en drie mensen van publieke kantoororganisaties geïnterviewd. Van alle interviews zijn transcripten gemaakt en deze zijn gecodeerd met kleuren. Naast het interview is er aan de respondenten gevraagd een schema in te vullen met de inkoopvolumes van de productgroepen vlees, zuivel en AGF. Helaas kon dit niet door elke organisatie aangeleverd worden.

Tijdens de interviews zijn er verschillende vragen gesteld over de huidige voedselvoorziening. Welke eisen daaraan worden gesteld door de inkopers en wat het toekomstbeeld is van de organisatie wat betreft (regionaal) inkopen. Niet alle organisaties waren bereid mee te werken aan het onderzoek.

Zowel bij de scholen als bij de grote kantoororganisaties kwamen de eisen veel overeen. De prijs, kwaliteit en logistiek stonden daarbij bovenaan.

De inkopende organisaties willen concurrerende prijs voor de voedselproducten. Deze prijs mag niet te hoog zijn, omdat uiteindelijk de studenten en medewerkers bereid moeten zijn om ervoor te kunnen en willen betalen.

Naast de prijs was een goede kwaliteit van de voedselproducten een eis van alle respondenten. Dit moet de kwaliteit van niet-regionale producten evenaren of overstijgen.

Alle organisaties willen continu kwalitatief goede voedselproducten geleverd kunnen krijgen. Ook moet het vers zijn en dit betekend dat er meerdere malen per week geleverd moet kunnen worden.

Tenslotte is de logistiek een belangrijk aandachtspunt bij de keuze voor een leverancier. Continuïteit en leverzekerheid zijn eisen die van de leverancier worden gevraagd. De organisatie wil zekerheid hebben in een wekelijkse levering en in de kwantiteit van de gevraagde producten.

Naar aanleiding van de interviewresultaten zijn de volgende aanbevelingen gegeven voor de regionale voedselketen:

  • Samenwerking aangaan met de groothandels.
  • Huidige inkoopprijzen onderzoeken en een concurrerende prijsstelling bieden.
  • Onderzoek doen naar de huidige kwaliteit van voedselproducten en deze tenminste evenaren.
  • Volgen van richtlijnen MVO, gebruikmakend van een keurmerk.
  • Richten op afnemers die zich oriënteren op regionaal inkopen of dit al doen.

Bovenstaande aanbevelingen zullen ook consequenties hebben. Een samenwerking met de groothandels zorgt ervoor dat de verantwoordelijkheid voor de verkoop ook grotendeels daar ligt. Daarnaast komt er een extra schakel bij die wil verdienen aan de voedselproducten. De prijzen zullen hiermee kunnen stijgen. Een laatste consequentie kan zijn dat de groothandels niet samen willen werken met de regionale voedselketen en niet bereid zijn de regionale voedselproducten in het assortiment op te nemen.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Strategisch marktonderzoek coöperatieve voedselketen (2016)

Door: Thijs Mulder

Management samenvatting

In de huidige samenleving hebben wij te maken met een mondiaal, complex en dynamisch voedselsysteem gericht op massaproductie. Dit komt mede door de opkomst van sterke distributieen verkoopkanalen. Groothandelaren en supermarkten hebben hier een belangrijk aandeel in gehad. Door groei en fusies is het aantal supermarktconcerns behoorlijk geslonken. Een kleine groep heeft hierdoor de macht overgenomen. Alle boodschappen doen op één locatie is voor consumenten vaak doorslaggevend om boodschappen bij een supermarkt te doen. Hierdoor hebben supermarktconcerns een grote invloed gekregen op de consument. Zij bepalen op dit moment wat de consument eet en welke producten producenten moeten leveren. Duurzaam omgaan met voedsel is hierin vaak ondergeschikt aan het economisch belang.

In de afgelopen jaren zijn zowel de consument als de overheid nieuwe eisen gaan stellen aan producten, de productiewijze en de omgang met de omgeving. Agrarische ondernemers moeten door deze maatschappelijke eisen efficiënter en meer produceren, en betere producten op de markt brengen. Een proces van verduurzaming is nodig waarbij de concurrentiepositie niet alleen versterkt wordt door kostprijsverlaging, maar ook door maatschappelijke eisen te integreren.

In het Westerkwartier zien we dat het aantal agrarische bedrijven in de afgelopen decennia enorm is gedaald. Het economische evenwicht wankelt. Verschillende soorten organisaties, waaronder de veehouderij, hebben moeite om hun hoofd boven water te houden. Een schaalvergroting zou uitkomst kunnen bieden, maar door de regelgeving en landschappelijke factoren blijkt uitbreiding erg lastig te zijn. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier wil dit probleem aanpakken door een duurzame coöperatieve voedselketen op te richten. Door samen te werken kan de gewenste schaalsprong gemaakt worden. De keten zal in eerste instantie opgericht worden voor rundvlees. De Gebiedscoöperatie heeft mij gevraagd om onderzoek te doen naar de kansen en bedreigingen op de markt waarop de keten actief gaat worden, met de nadruk op de afnemers van het rundvlees.

Uit het onderzoek is gebleken dat er voldoende kansen liggen om een coöperatieve voedselketen op te zetten. Het lijkt namelijk het ideale moment te zijn om een regionale coöperatieve keten op te richten, die duurzaam produceert. Uit het onderzoek is gebleken dat er steeds meer veehouderijen verdwijnen in de provincie Groningen. Vanwege de moeilijke situatie waarin veehouderijen zich bevinden, zullen zij eerder bereid zijn om mee te werken aan de coöperatieve keten. Samen zullen zij instaat zijn om een schaalsprong te maken, die wenselijk is om de continuïteit van de veehouderijen te bevorderen. Uit het onderzoek is gebleken dat consumenten, organisaties en de overheid steeds meer waarde hechten aan de afkomst en de duurzaamheid van voedsel. Verschillende onderzoekers hebben aangetoond dat consumenten steeds vaker kiezen voor een duurzaam product waarvan de afkomst bekend is. Ook supermarkten nemen steeds vaker duurzame en regionale producten op in hun assortiment. Potentiële betrokkenen die geinterviewd zijn, bleken allemaal enthousiast te zijn over het idee om een coöperatieve keten op te richten. Daarnaast waren zij er allemaal mee eens dat een verandering naar een duurzame voedselketen noodzakelijk is. Door middel van regels en subsidies stimuleert de overheid duurzame ontwikkelingen. Verschillende wetgevingen (bijvoorbeeld de aanbestedingswet die zorgt voor meer ruimte voor dialoog met organisaties) maken het voor de Gebiedscoöperatie makkelijker om de coöperatieve keten daadwerkelijk op te richten en duurzaamheid te betrekken.

Uit het onderzoek is ook gebleken dat de markt verschillende bedreigingen met zich meebrengt. Zo wil de Gebiedscoöperatie met bestaande organisaties deze keten vorm geven. Echter blijkt dat er in de provincie Groningen weinig slagerijen en slachterijen zijn die rundvlees verwerken. Hierdoor zal de Gebiedscoöperatie wellicht opzoek moeten naar andere alternatieven. Een mogelijkheid zou zijn om deze zelf op te richten. Daarnaast zou de complexiteit van de voedselketen een argument kunnen zijn voor bedrijven om niet mee te willen werken aan een coöperatieve keten. Uit de interviews is dit ook naar voren gekomen. Aspecten als duurzaamheid, samenwerking, bedrijfsvoering, verantwoordelijkheid en de winstgevendheid werden genoemd door de ondervraagden. De Gebiedscoöperatie heeft laten weten dat zij afnemers op de institutionele markt, als zorginstellingen, zien als de meest geschikte afnemers van de coöperatieve keten. Dit is begrijpelijk aangezien zij op grote schaal kunnen afnemen en dicht bij de consument staan. Echter hebben afnemers op de institutionele markt behoefte aan geheel voedselassortiment met fruit, groente, vlees, etc. De coöperatieve keten zal niet in staat kunnen zijn om aan deze behoefte te voldoen. De coöperatieve keten leidt hierdoor een concurrentienadeel ten opzichte van groothandelaren. Een alternatief is om het rundvlees te verkopen aan afnemers op de intermediaire markt. Op de intermediaire markt bevinden zich groothandelaren. Het nadeel van samenwerken met een groothandelaar is dat er een extra schakel ontstaat binnen de keten. Aangezien de afzet mogelijkheden van de Gebiedscoöperatie beperkt zijn, adviseer ik om zowel partijen op de institutionele markt als de intermediaire markt te betrekken. Uit het onderzoek is ook gebleken dat “duurzame ontwikkeling” een ontzettend lastig aspect is. Het wordt getypeerd als een normatief, subjectief, complex en vaag concept en valt niet puur wetenschappelijk te operationaliseren. Het begrip wordt opgedeeld in drie ongelijksoortige dimensies: ecologische, economische en sociaal-culturele aspecten. Door binnen de coöperatie prioriteiten te stellen en afzonderlijke doelen te formuleren kan er gewerkt worden aan een duurzamere voedselketen.

Om tot een marketingstrategie te kunnen komen zullen organisaties betrokken moeten worden bij de keten. Het gaat immers om een coöperatieve keten. Voordat deze samenwerkingsverbanden kunnen ontstaan moeten zij geïnformeerd worden. In de interviews heb ik de potentiële betrokkenen gevraagd hoe deze keten volgens hen het beste opgericht zou kunnen worden. Zij gaven allemaal aan dat dit het beste gedaan kan worden door middel van het houden van bijeenkomsten. Bijeenkomsten geven de organisaties uit de provincie de mogelijkheid om vragen te stellen. Zodoende kunnen onduidelijkheden weggenomen worden en kan de Gebiedscoöperatie organisaties overtuigen om mee te werken. Door organisaties de gelegenheid te geven om mee te laten denken over een zo’n duurzaam en efficiënt mogelijk voedselsysteem, kan er een duidelijker beeld ontstaan van de situatie. Onduidelijkheden en vragen die hier uit voortkomen kunnen onderzocht worden door studenten. De organisaties die bereid zijn om mee te willen werken kunnen aangeven wat zijn kunnen betekenen voor deze keten. Met deze organisaties kan de interne omgeving invulling krijgen en zal de koers bepaald kunnen worden, op basis waarvan de geformuleerde doelstellingengerealiseerd kunnen worden. Zodoende kan er een marketingstrategie geformuleerd worden rekening houdend met de langetermijnafstemming tussen de Gebiedscoöperatie, stakeholders en de externe omgeving, gericht op het creëren van een superieure, duurzaam onderscheidende waarde voor afnemers.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Marketingplan Natuurvlees (2016)

Door: Rianne

Management samenvatting

De organisatie

Gebiedscoöperatie Westerkwartier is een innovatief m.k.b. Ze onderscheiden zich van de vele andere coöperaties, doordat er niet rond één doel of binnen één branche georganiseerd wordt. Er worden groene ondernemers, natuurbeheerders, kennisinstellingen, overheden en burgers in de regio verbonden. De leden komen dus niet uit één branche en het gaat ook niet om één doel. Er wordt gericht op de ontwikkeling van collectieve korte ketens. In die ketens gaat het om: voedsel, energie, waterbeheer, natuur, Biobased economy, gezondheid, welzijn en zorg- allemaal in de regio, met de regio en voor de regio. De onderwerpen worden integraal aangepakt en de aspecten van groene economie, duurzaamheid en innovatie komen duidelijk naar voren. (Westerkwartier)

Vanuit de gebiedscoöperatie Westerkwartier is het project natuurvlees (inhoud project: zie probleemstelling) opgestart. Naarmate het project vordert en er brood uit te halen valt, zal de onderneming op zichzelf verder gaan. Wel zal de gebiedscoöperatie verbonden blijven aan het bedrijf.

Marketing- en communicatiebeleid van de organisatie

De organisatie is nog niet bestaand, het is een te ontwikkelen project. Hierdoor is er nóg geen sprake van een marketing- en communicatiebeleid.

Probleemstelling

Er is een groot aanbod van nuchtere kalveren. Dit niet alleen in het Westerkwartier, maar in heel Nederland. Het grote aanbod veroorzaakt een lage kalveren prijs, voorboeren levert dit niet genoeg geld op. Om meerwaarde uit de kalveren te halen is de gebiedscoöperatie Westerkwartier gestart met een project. Het project natuurvlees. Door een deel van de koeien te insemineren met sperma van vleesstieren, zijn de geboren kalveren geschikter voor de vleesproductie. Deze kalveren worden geweid op marginale gronden, bijvoorbeeld van het Staatsbosbeheerin het Westerkwartier. Deze kalveren zullen daar grazen tot ze slachtrijp zijn. Het slachten van deze dieren zal in de omgeving van het Westerkwartier plaats vinden. De uiteindelijke verkoop van het vlees, zal in het Westerkwartier plaats vinden. Het product zal onder de naam GrasBief verkocht worden.

Doelstelling van het marketing- en communicatieplan

Het doel van het marketing- en communicatieplan is: een richting te geven aan het vermarkten van het product. Wie wil het kopen, voor welk bedrag willen mensen het kopen, waar is het product te verkopen en is de productnaam GrasBief aantrekkelijk? Op deze vragen zal een antwoord geformuleerd worden. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Strategisch marktonderzoek coöperatieve voedselketen (2016)

Door: Thijs Mulder

Management samenvatting

n de huidige samenleving hebben wij te maken met een mondiaal, complex en dynamisch voedselsysteem gericht op massaproductie. Dit komt mede door de opkomst van sterke distributieen verkoopkanalen. Groothandelaren en supermarkten hebben hier een belangrijk aandeel in gehad. Door groei en fusies is het aantal supermarktconcerns behoorlijk geslonken. Een kleine groep heeft hierdoor de macht overgenomen. Alle boodschappen doen op één locatie is voor consumenten vaak doorslaggevend om boodschappen bij een supermarkt te doen. Hierdoor hebben supermarktconcerns een grote invloed gekregen op de consument. Zij bepalen op dit moment wat de consument eet en welke producten producenten moeten leveren. Duurzaam omgaan met voedsel is hierin vaak ondergeschikt aan het economisch belang.

In de afgelopen jaren zijn zowel de consument als de overheid nieuwe eisen gaan stellen aan producten, de productiewijze en de omgang met de omgeving. Agrarische ondernemers moeten door deze maatschappelijke eisen efficiënter en meer produceren, en betere producten op de markt brengen. Een proces van verduurzaming is nodig waarbij de concurrentiepositie niet alleen versterkt wordt door kostprijsverlaging, maar ook door maatschappelijke eisen te integreren.

In het Westerkwartier zien we dat het aantal agrarische bedrijven in de afgelopen decennia enorm is gedaald. Het economische evenwicht wankelt. Verschillende soorten organisaties, waaronder de veehouderij, hebben moeite om hun hoofd boven water te houden. Een schaalvergroting zou uitkomst kunnen bieden, maar door de regelgeving en landschappelijke factoren blijkt uitbreiding erg lastig te zijn. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier wil dit probleem aanpakken door een duurzame coöperatieve voedselketen op te richten. Door samen te werken kan de gewenste schaalsprong gemaakt worden. De keten zal in eerste instantie opgericht worden voor rundvlees. De Gebiedscoöperatie heeft mij gevraagd om onderzoek te doen naar de kansen en bedreigingen op de markt waarop de keten actief gaat worden, met de nadruk op de afnemers van het rundvlees.

Uit het onderzoek is gebleken dat er voldoende kansen liggen om een coöperatieve voedselketen op te zetten. Het lijkt namelijk het ideale moment te zijn om een regionale coöperatieve keten op te richten, die duurzaam produceert. Uit het onderzoek is gebleken dat er steeds meer veehouderijen verdwijnen in de provincie Groningen. Vanwege de moeilijke situatie waarin veehouderijen zich bevinden, zullen zij eerder bereid zijn om mee te werken aan de coöperatieve keten. Samen zullen zij instaat zijn om een schaalsprong te maken, die wenselijk is om de continuïteit van de veehouderijen te bevorderen. Uit het onderzoek is gebleken dat consumenten, organisaties en de overheid steeds meer waarde hechten aan de afkomst en de duurzaamheid van voedsel. Verschillende onderzoekers hebben aangetoond dat consumenten steeds vaker kiezen voor een duurzaam product waarvan de afkomst bekend is. Ook supermarkten nemen steeds vaker duurzame en regionale producten op in hun assortiment. Potentiële betrokkenen die geinterviewd zijn, bleken allemaal enthousiast te zijn over het idee om een coöperatieve keten op te richten. Daarnaast waren zij er allemaal mee eens dat een verandering naar een duurzame voedselketen noodzakelijk is. Door middel van regels en subsidies stimuleert de overheid duurzame ontwikkelingen. Verschillende wetgevingen (bijvoorbeeld de aanbestedingswet die zorgt voor meer ruimte voor dialoog met organisaties) maken het voor de Gebiedscoöperatie makkelijker om de coöperatieve keten daadwerkelijk op te richten en duurzaamheid te betrekken.

Uit het onderzoek is ook gebleken dat de markt verschillende bedreigingen met zich meebrengt. Zo wil de Gebiedscoöperatie met bestaande organisaties deze keten vorm geven. Echter blijkt dat er in de provincie Groningen weinig slagerijen en slachterijen zijn die rundvlees verwerken. Hierdoor zal de Gebiedscoöperatie wellicht opzoek moeten naar andere alternatieven. Een mogelijkheid zou zijn om deze zelf op te richten. Daarnaast zou de complexiteit van de voedselketen een argument kunnen zijn voor bedrijven om niet mee te willen werken aan een coöperatieve keten. Uit de interviews is dit ook naar voren gekomen. Aspecten als duurzaamheid, samenwerking, bedrijfsvoering, verantwoordelijkheid en de winstgevendheid werden genoemd door de ondervraagden. De Gebiedscoöperatie heeft laten weten dat zij afnemers op de institutionele markt, als zorginstellingen, zien als de meest geschikte afnemers van de coöperatieve keten. Dit is begrijpelijk aangezien zij op grote schaal kunnen afnemen en dicht bij de consument staan. Echter hebben afnemers op de institutionele markt behoefte aan geheel voedselassortiment met fruit, groente, vlees, etc. De coöperatieve keten zal niet in staat kunnen zijn om aan deze behoefte te voldoen. De coöperatieve keten leidt hierdoor een concurrentienadeel ten opzichte van groothandelaren. Een alternatief is om het rundvlees te verkopen aan afnemers op de intermediaire markt. Op de intermediaire markt bevinden zich groothandelaren. Het nadeel van samenwerken met een groothandelaar is dat er een extra schakel ontstaat binnen de keten. Aangezien de afzet mogelijkheden van de Gebiedscoöperatie beperkt zijn, adviseer ik om zowel partijen op de institutionele markt als de intermediaire markt te betrekken. Uit het onderzoek is ook gebleken dat “duurzame ontwikkeling” een ontzettend lastig aspect is. Het wordt getypeerd als een normatief, subjectief, complex en vaag concept en valt niet puur wetenschappelijk te operationaliseren. Het begrip wordt opgedeeld in drie ongelijksoortige dimensies: ecologische, economische en sociaal-culturele aspecten. Door binnen de coöperatie prioriteiten te stellen en afzonderlijke doelen te formuleren kan er gewerkt worden aan een duurzamere voedselketen.

Om tot een marketingstrategie te kunnen komen zullen organisaties betrokken moeten worden bij de keten. Het gaat immers om een coöperatieve keten. Voordat deze samenwerkingsverbanden kunnen ontstaan moeten zij geïnformeerd worden. In de interviews heb ik de potentiële betrokkenen gevraagd hoe deze keten volgens hen het beste opgericht zou kunnen worden. Zij gaven allemaal aan dat dit het beste gedaan kan worden door middel van het houden van bijeenkomsten. Bijeenkomsten geven de organisaties uit de provincie de mogelijkheid om vragen te stellen. Zodoende kunnen onduidelijkheden weggenomen worden en kan de Gebiedscoöperatie organisaties overtuigen om mee te werken. Door organisaties de gelegenheid te geven om mee te laten denken over een zo’n duurzaam en efficiënt mogelijk voedselsysteem, kan er een duidelijker beeld ontstaan van de situatie. Onduidelijkheden en vragen die hier uit voortkomen kunnen onderzocht worden door studenten. De organisaties die bereid zijn om mee te willen werken kunnen aangeven wat zijn kunnen betekenen voor deze keten. Met deze organisaties kan de interne omgeving invulling krijgen en zal de koers bepaald kunnen worden, op basis waarvan de geformuleerde doelstellingengerealiseerd kunnen worden. Zodoende kan er een marketingstrategie geformuleerd worden rekening houdend met de langetermijnafstemming tussen de Gebiedscoöperatie, stakeholders en de externe omgeving, gericht op het creëren van een superieure, duurzaam onderscheidende waarde voor afnemers.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

‘Boeren business’ - Een onderzoek naar een duurzaam businessmodel voor de agrarische veehouderij Westerkwartier (2016)

Door: Albert Nieuwenhuis

Management samenvatting

Natuurvlees moet een nieuwe manier worden van vleesproductie. Het is een onderdeel van een grotere nieuwe manier van voedselproductie. Hierbij gaat het om het opzetten van nieuwe verkorte regionale voedselketens die op een duurzame manier worden gerealiseerd. Tegenwoordig hebben we te maken met een mondiaal, complex en dynamisch voedselsysteem gericht op massaproductie. Schaalvergroting lijkt essentieel voor ondernemers om te overleven. Zoveel mogelijk produceren tegen een zo laag mogelijke prijs, zodat grote winsten kunnen worden gemaakt. Producten worden soms zelfs uit Zuid Amerikaanse landen gehaald, terwijl we vergeten wat in de nabije regio’s al geproduceerd wordt en kan worden geproduceerd.

Ondernemen zal op een duurzamere manier moeten gebeuren. Ondernemers moeten verder gaan kijken dan alleen de economische meerwaarde van producten, projecten en investeringen. Dit betekent naast de economische waardecreatie zorgen voor ecologische en sociale waardecreatie. Ondernemen met behoud van biodiversiteit, CO2 reductie, coöperatieve samenwerking etc., kortom, nieuwe businessmodellen met als belangrijk thema duurzaamheid. Waardecreatie ontstaat door rekening te houden met de drie P’s; profit, planet, people.

In het Westerkwartier loopt men tegen problemen aan om schaalvergroting te realiseren. Een prachtige ecologische hoofdstructuur vormt het gebied. Behoud van het karakter van dit gebied is essentieel. Daarbij is behoud van de gevestigde ondernemers, met name veehouders, net zo belangrijk. De economische weerbaarheid van de veehouderij is te laag. Er moet worden gezocht naar alternatieve businessmodellen, waarin rekening wordt gehouden met duurzaamheid en de financiële weerbaarheid van de huidige ondernemers wordt vergroot.

Een voorbeeld: grote keukens van grote bedrijven uit de stad Groningen halen hun producten bij leveranciers die hun inkoop doen op de vrije markt. Over de hele wereld worden producten gehaald om goedkoop te kunnen leveren. Vele van deze producten worden ook in nabije regio’s geproduceerd. Wanneer deze producten uit de regio gehaald zouden worden, zou dit een positief effect hebben op de werkgelegenheid in de regio en de toegevoegde waarde in de regio behouden blijven. Zo kan door het opzetten van de verkorte keten natuurvlees een welvarende melkveehouderij nagestreefd worden op een duurzame manier en kan een grotere binding tussen de producenten met de maatschappij en consument ontstaan.

Dit onderzoek geeft antwoord op de vraag hoe een nieuw duurzaam businessmodel van de eerste schakel uit de verkorte voedselketen eruit moet komen te zien. In dit onderzoek over de verkorte keten natuurvlees, is de eerste schakel de agrarische veehouderij. De agrarische veehouderij heeft mede door zijn beperkingen in het Westerkwartier een andere bedrijfsontwikkeling door gemaakt dan in andere delen van Nederland. De veehouderij bestaat overwegend uit melkveebedrijven, waardoor de focus en waardecreatie bij de bedrijven voornamelijk op de optimale productie van melk ligt. Neveninkomsten zijn er weinig. Melkveebedrijven hebben te maken met kalveren die niet nodig zijn voor de vervanging van de eigen veestapel en koeien die niet meer geschikt zijn voor de productie van melk. De kalveren die niet nodig zijn voor vervanging van de eigen veestapel, de zogenaamde mestkalveren, gaan het gangbare (anonieme) vleeskalveren circuit in. Voor de melkveehouderij worden deze mestkalveren gezien als een ‘bijproduct’ waaraan weinig te verdienen valt. In dit onderzoek wordt onderzocht of er een businessmodel opgezet kan worden waardoor er meerwaarde kan worden gecreëerd voor zowel de lokale veehouderij als voor de maatschappij met haar mensen, natuur en milieu.

Om de verkorte keten natuurvlees tot een succes te maken en te zorgen dat de continuïteit gewaarborgd blijft wordt gestreefd naar een onderscheidende manier om vlees te produceren. Afnemers en consumenten moeten namelijk getriggerd worden in de vrije markt te kiezen voor natuurvlees. Daarom worden eisen en voorwaarden gesteld aan de opfok van de mestkalveren. Er wordt getracht voorop te lopen in de mate waarin het vlees duurzaam is geproduceerd. Het gaat hier dan om productie dat rekening houdt met dier, natuur, milieu en de mensen. Naast eisen voor dierenwelzijn, dierengezondheid en arbeidsomstandigheden worden er bijvoorbeeld ook eisen gesteld aan natuur- en weidevogelbeheer.

Naast de duurzaamheidseisen zijn er twee speerpunten die het natuurvlees onderscheidend maakt. Het eerste speerpunt betreft de weidegang van mestkalveren. Vanuit de maatschappij zijn steeds meer geluiden dat de koe in de wei hoort en moet. Het natuurvlees sluit op die manier aan bij de voorkeur van de maatschappij. In de huidige mestkalverhouderij wordt het overgrote merendeel van de mestkalveren het jaarrond op stal gehouden.

Het tweede speerpunt is dat het vlees in de regio wordt geproduceerd. Daarmee samenhangend wordt geprobeerd de mestkalveren op te fokken met zoveel mogelijk (kracht)voer uit de regio. In de regio produceren, verwerken en consumeren is de opzet van de verkorte voedselketen. In het huidige systeem wordt er geleverd aan de vrije markt waar bij de consument de producenten niet bekend zijn. ‘Weet waar je eten vandaan komt’. Het is een bekende tekst die we steeds vaker te horen krijgen. Vaak weet de consument helemaal niet waar het voedsel vandaan komt. Door alles in de regio te houden ontstaat er een eerlijke, open en transparante voedselketen. Consumenten kunnen achterhalen waar hun eten vandaan komt. Er wordt bekend welke bedrijven zorgen voor de levering, opfok en verwerking van de mestkalveren en het natuurvlees.

Hoewel in het Westerkwartier veel melkveehouderij te vinden zijn, zijn er weinig kalvermesterijen in de regio. Om de levering van het natuurvlees te verzorgen zullen er mestkalveren moeten worden opgefokt in de regio en hiervoor zullen kalvermesterijen moeten worden gerealiseerd. Er zijn verschillende manieren om dit te realiseren, waarbij meerdere varianten en/of combinaties kunnen ontstaan. De huidige kalvermesterijen fokken de mestkalveren op tot een leeftijd van acht tot en met twaalf maanden, alvorens deze mestkalveren worden geslacht. Dit vlees wordt verkocht als kalfsvlees of rosé vlees. In het nieuwe businessmodel worden de mestkalveren opgefokt tot een gemiddelde leeftijd rond de twee jaar. Hiermee wordt de markt van ‘gewoon’ rundvlees bediend.

In de regio moet worden gezocht naar bedrijven die, eventueel na wat kleine aanpassingen, kunnen worden ingericht om de mestkalveren aan de hand van de gestelde eisen op te fokken. Daarnaast moet er worden gezocht naar melkveebedrijven die hun kalveren willen gaan leveren aan deze opfokbedrijven. Voor de realisatie van de kalvermesterijen lijken twee varianten het meest haalbaar. Bij de eerste variant wordt dit een zelfstandig opfokbedrijf. Dit bedrijf verzorgt zelfstandig of eventueel samen met andere zelfstandige opfokbedrijven voor de opfok van de mestkalveren. De risico’s worden hierbij gedragen door één partij, de zelfstandige kalvermesterij.

De tweede variant is de coöperatieve opfok. Deze manier sluit het beste aan bij de gedachtegang van nieuwe businessmodellen en de nieuwe manier van ondernemen. In dit model richten melkveehouders uit de regio gezamenlijk een aanbodcoöperatie op. Gezamenlijk investeren ze in een kalvermesterij. De melkveebedrijven zorgen zelf voor de aanvoer van mestkalveren. Een bedrijfsleider zorgt voor het reilen en zeilen en de verzorging van de mestkalveren op het bedrijf. Verschillende aanbodcoöperaties zouden kunnen ontstaan. Daarbij zou een grossierderij en/of slachterij ook kunnen gaan deelnemen aan de coöperatie. Door middel van samenwerkingen (coöperaties) kunnen schaalvoordelen en meerwaarde worden gecreëerd. Daarbij zijn afspraken, contracten, informatie uitwisseling en communicatie tussen de verschillende schakels essentieel voor een goede samenwerking en succes van de keten. Daarbij staat de meervoudige waardecreatie in de gehele voedselketen centraal. Naast de economische waardecreatie ligt het succes onder anderen in de ecologische en sociale waardecreatie.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

Verkorte keten - Wat zijn de voorwaarden voor het opstellen van een alternatief verdienmodel voor de stakeholders die aangesloten zijn bij de Gebiedscoöperatie Westerkwartier? (2015)

Door: Judith Komrij, Els van Minnen & Barbara de Winter

Management samenvatting

Dit onderzoek is uitgevoerd, in opdracht van Gebiedscoöperatie Westerkwartier en het Lectoraat Duurzaam Financieel Management, om het huidige probleem dat boeren hebben binnen het Westerkwartier in kaart te brengen en inzicht te verschaffen in een mogelijk oplossing. De oplossing die in dit onderzoek is beschreven heeft betrekking op het verkorten van de huidige keten. De verkorte keten moet de volgende schakels bevatten: boeren, slachterij, slager en afnemers. In dit onderzoek zijn de schakels slachterij en slager uitgewerkt.

Het probleem waarmee rundveehouders in het Westerkwartier mee te maken hebben, is dat ze te weinig concurrerend kunnen zijn en hierdoor te weinig verdienen aan hun runderen. Dit is met name te wijten aan de verandering binnen het voedselsysteem. Het voedselsysteem is van een kleinschalige productie met korte regionale ketens en een nauwe band met de consument veranderd naar een mondiaal complex en dynamisch voedselsysteem dat gericht is op massaproductie. Niet genoeg kunnen concurreren en te weinig verdienen, is geen specifiek probleem dat zich alleen in het Westerkwartier voordoet, dit probleem komt in de gehele wereld voor. Echter, zal dit onderzoek gericht zijn op de rundveehouders uit het Westerkwartier.Er moet een schaalsprong gemaakt worden om regionale samenwerking te verwezenlijken. Dit houdt in dat er eerst schaalverkleining en daarna schaalvergroting moet worden toegepast op het Westerkwartier. De schaalsprong kan worden gemaakt door:

  • Niet meer lokaal te blijven produceren, maar om juist samen te gaan werken;
  • Coöperatieve samenwerking om er een duurzaam project van te maken;
  • Oprichten van een centraal orgaan binnen de coöperatie;
  • Overzichtelijk maken welke kennis nodig is voor dit regionale project.

Het doel is om een contract voor meerdere jaren tussen de aanbieder en de afnemer tot stand te brengen. Het is dus belangrijk dat er samenwerking ontstaat tussen de regionale schaal en het coöperatieve verband.

Het is voor de slachterij van belang dat er vooral wordt gelet op de regels/procedures die voor deze schakel gelden. Er wordt hier streng op gecontroleerd door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en hun partner Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS). De Europese weten regelgeving geldt in Nederland, waardoor het vlees uit het buitenland goed traceerbaar blijft, wat dan ook een eis is vanuit de Europese wet- en regelgeving. Ook de hygiëne is een belangrijk punt van aandacht. Er zijn grote risico’s aan verbonden wanneer de hygiëne niet goed is. Zo kan de mens en het dier er ziek van worden en met verdere gevolgen van dien. Kortom, het is zeer belangrijk dat alle regels en procedures worden nageleefd door slachterijen.

De slager is een zeer belangrijke schakel binnen de keten, omdat hij de stukken vlees verwerkt toteindproducten die vervolgens naar de afnemers gaan. De bekendste stukken zoals biefstuk en ossenhaas zijn de producten die vaker verkocht worden, hierdoor worden ‘minder’ goede delen vaak niet verkocht. Het is voor de slager van belang dat de ‘minder goede’ delen ook verkocht worden, daarom worden deze in een ‘vierkant’ verkocht aan de groter afnemers. Er zijn verschillende redenen waardoor de malsheid van het vlees varieert, dit kan te maken hebben met de soorten runderen, het geslacht van de runderen en de leeftijd van de dieren. Deze factoren hebben invloed op kwaliteit van de eindproducten.

Het is zeer belangrijk om de eisen en wensen wat betreft eindproducten van de afnemers (consumenten) in kaart te brengen. Immers, de vraag moet aansluiten bij het aanbod. In dit onderzoek is niet ingegaan op de eisen en wensen van afnemers in verband met tijdsnood. Echter, dit moet in een eventueel vervolgonderzoek aan de orde komen. Hiervoor zijn er voor betrokkenen in dit proces vragen opgesteld voor eventuele vervolgonderzoeken. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met Maarten Groeneveld: m.groeneveld@gcwk.nl

 


Smart Farming, bodem en landschap 

De waarde van groen - een studie naar de vraagstelling van de waarde van groen in onze samenleving (2017)

Door: Bas van Vugt

Management samenvatting

Voor u ligt het rapport ‘de waarde van groen’. Het doel van dit rapport is om de gegevens over de waarde van groen te bundelen en te concretiseren in een enkel document waarin aangegeven wordt waarom groen belangrijk is in onze samenleving. Daarnaast komt naar voren waarom groen een centralere plaats dient te krijgen in de hedendaagse planningsprocessen. Dit document geeft handvatten aan beleidsmakers op allerlei niveaus die een stap willen zetten om groen een prominentere plaats te geven binnen hun activiteiten. De waarde van groen heeft zoveel raakvlakken met allerlei beleidsgebieden dat het haast onmogelijk lijkt om niet op een of andere manier een van de vele voordelen van groen toe te passen. Zo bevordert groen de gezondheid, verbetert groen het milieu, stimuleert het een veilige leefomgeving en genereert het een stijging van de onroerend goed prijzen.

Gezondheid

Mensen voelen zich gezonder met groen om zich heen, zowel in een landelijk, als in een stedelijk gebied. Met andere woorden: De kans dat bewoners hun gezondheid als goed beoordelen is in groene gebieden 1,5 keer zo groot als in minder groene woonomgevingen. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van groen ervoor dat depressies minder voorkomen, het aantal nekklachten terugloopt, het aantal kankerpatiënten wordt gereduceerd, het percentage inwoners dat migraine of ernstige hoofdpijn heeft wordt verlaagd, etcetera. Alhoewel patiënten sneller herstellen in groene omgevingen, geven huisartsen nog steeds geen advies om dit ook daadwerkelijk te doen.

Milieu

Het milieu wordt door veel mensen als belangrijk ervaren. Toch komen nog veel Nederlanders in aanraking met schadelijke stoffen. Groen levert een significante verbetering aan het milieu. Zo reduceert groen de uitstoot van fijnstof met 15% tot 20%, levert het een significante verbetering door het bergen van water (volgens voorzichtige schattingen 2877 liter per boom) en dus de afname van wateroverlast door hevige regenval. Daarnaast levert groen een positieve bijdrage aan de biodiversiteit in ons land. Zowel op het platteland maar ook zeker in steden. Bovendien reduceert groen het energieverbruik in steden met 10% en dempt het het geluid van aanwezige wegen met 6 Decibel.

Veiligheid

Agressie en geweld komen minder vaak voor in gebieden met groen: De perceptie van veiligheid stijgt van 86% naar 89,3% in gebieden met groen. Waardevermeerdering onroerend goed Conservatieve schattingen gaan uit van een stijging van de huizenprijs met ongeveer 10%. Dit leidt direct tot aangepaste boekhoudmethodes en belastinginkomsten. Zo neemt onder andere de waarde van de WOZ toe, kunnen woningbouwcoöperaties hun woningen met een hogere waarde in de boeken zetten en zijn andere investeringsmodellen mogelijk

Deze vier hoofdgebieden zijn vervolgens gekoppeld aan belanghebbenden en hun individuele raakvlakken met groen. Bedrijven hebben er belang bij dat hun medewerkers gezond blijven en productief werk verrichten. Groen stimuleert deze productiviteit en zorgt ervoor dat medewerkers minder snel ziek worden (zowel door de bedrijfslocatie als beplanting intern). Daarnaast heeft groen een imagoverhogend effect op de keuze voor een bedrijfslocatie. Gemeenten hebben baat bij groen door de reductie van vernieling, aanpak van het fijnstofvraagstuk, gezonde burgers, waardestijging van woningen en dus indirect verhoogde WOZ waarde. Burgers zijn minder ziek en voelen zich gezonder in een groene omgeving. De woningbouwcoöperaties hebben belang bij groen omdat het de sociale cohesie tussen bewoners positief beïnvloedt, want bewoners zijn meer betrokken bij hun buurt. Tevens neemt de veiligheid toe indien groen toegepast wordt. Daarnaast heeft het bezit (de woningen van de woningbouwcoöperaties) een hogere waarde, zowel de boekwaarde als de verkoopwaarde. Tenslotte verhoogt groen het welzijn van de bewoners (de huurders) in zijn algemeenheid. De laatste, maar zeker niet minst belangrijkste, belanghebbenden zijn de zorgverzekeraars. Als het ‘follow the money’ principe toegepast wordt, zijn de verzekeraars immers diegenen die geld overhouden aan niet geclaimde druk op het systeem. In die zin zijn de verzekeraars eveneens erg belangrijk.

Verder wordt in dit rapport de gemeentelijke berekening van groen besproken. Vanuit de literatuur en de praktijk komt naar voren dat het kwantificeren van de waarde van groen mogelijk is. Toch zijn er nogal wat haken en ogen aan de vaak toegepaste Maatschappelijke Kosten en Baten Analyses ( MKBA). Met name de nauwkeurigheid staat nogal eens ter discussie. In die zin is meer onderzoek in stedelijke settings vereist voordat een uniform model geïntroduceerd kan worden. Eventueel bieden de uitkomsten van het Overvechtproject in opdracht van de gemeente Utrecht meer inzichten. Deze resultaten worden aan het eind van het jaar bekend gemaakt.

De groene branche kan haar landelijke lobby versterken door een aantal acties naar belanghebbenden op te stellen. Zo kan de communicatie met de gemeenten geconcretiseerd worden door allianties aan te gaan, de bewustwording te vergroten, te informeren en te ondersteunen. Met de zorgverzekeraars kunnen contacten gelegd worden, kan de boodschap dat groen ‘gelukkig’ maakt gefaciliteerd worden en kan gezamenlijke promotie toegepast worden. Allianties kunnen aangegaan worden met andere brancheorganisaties die een relatie met groen hebben. Een voorbeeld hiervan zou de Bond van Nederlandse Architecten (BNA) kunnen zijn. Met de bouwsector dient, indien mogelijk, samengewerkt te worden. Al zijn het maar kleine projecten, de groene branche dient in deze wereld op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen (vooral monitorfunctie belangrijk). Deze projecten dienen opgezet te worden rond horizontale samenwerking in de keten. Contact leggen met diverse organisaties in de gezondheidszorg zou uiterst nuttig zijn. Voorbeelden hiervan zijn er legio. Mogelijke ingangen kunnen bijvoorbeeld de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) zijn. Immers, de gezondheidszorg heeft direct baat bij sneller herstellende patiënten. En uit onderzoek blijkt dat deze sneller herstellen in het groen.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

The reuse of grass waste in South West Drenthe (2015)

Door: Rianne van den Meiracker, Jelte Vredenbregt, Vera de Boer, Jerry Gumbs & Sander Fransen

Management samenvatting

During our study period we learn a lot of skills. As a bachelor students of environmental sciences one of these skills is doing a research project. Of course a lot about doing research projects can be learned in class, but actually doing research is something totally different than just learning about it. For the course Environmental Project Studies we got the chance to do a research project for an existing client. The research will be done for the municipality of Hoogeveen. Our client is Herman Bakker from municipality of Hoogeveen together with Rosalie Rooze of Terra, a school on multiple locations in Drenthe. We are supervised by Eugenie van der Harst of the department Environmental Systems Analysis and Wei-Shan Chen of the department Environmental Technology. The overall supervision and course program come from the department Environmental Technology. As we are only students of Wageningen UR, the Wageningen UR cannot be held accountable for anything during this research.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Stichting Opwaardering Organisch Materiaal (2015)

Door: Julian Boer

Management samenvatting

In dit onderzoek is er gepoogd antwoord te krijgen op vraag wat het toekomstperspectief van Stichting Opwaardering Organisch Materiaal (STOOM) is. Een punt waar momenteel veel aandacht aan wordt besteed binnen de Gebiedscoöperatie Westerkwartier is biomassa. Hoe kan er uit “afval” waarde gecreëerd worden. Van daaruit is de stageopdracht ontstaan om te onderzoeken wat de situatie met STOOM precies is. Dat STOOM niet volledig haar activiteiten verrichte was duidelijk, verder was er eigenlijk niet veel bekend.

STOOM is een composteerbedrijf gevestigd te Lettelbert. De stichting is opgericht in 2005 met als doel het bevorderen van een duurzame landbouw- en voedselvoorziening. Dit doel tracht men te verwezenlijken door de natuurlijke kringloop te herstellen door het verwerken van organisch materiaal tot hoogwaardige compost middels toepassing van de “Controlled Microbial Composting”- techniek.

Er gebeuren geen activiteiten binnen de stichting. Elke activiteit die plaatsvindt betreffende het composteren van biomassa gebeurt op naam van Firma van Miltenburg. Van Miltenburg is tevens de voorzitter van de stichting. De stichting heeft naast het ontbreken van enig acitiviteiten ook geen asset. Er zijn geen gelden aanwezig en geen goederen met waarde.

Daarnaast waren de financiële gegevens onbekend. In dit onderzoek zijn de variabele kostprijs en het break-even punt berekend. De constante kosten bestaan uit de afschrijving van de composteermachine, te weten €10.000,- per jaar. De variabele kosten bestaan uit een aantal activiteiten. In totaal is de variabele kostprijs per m³ CMC-compost €45,62 euro.

Een verkoopprijs is er nog niet. Een gangbare prijs zou tussen de €55,- en €75,- euro zijn. Indien we uitgaan van de laagste prijs zou het break-even punt liggen op 1000 m³ CMCcompost, oftewel 3000 m³ uitgangsmateriaal (biomassa). Bij de hoogste verkoopprijs zou dit gaan om 1000 m³ uitgangsmateriaal. Beide aantallen zouden op dit moment niet behaald worden. Exacte cijfers zijn niet bekend maar vast staat dat er minder biomassa aanwezig is (binnen Firma van Miltenburg) dan de hier genoemde aantallen. De stichting dient dus op zoek te gaan naar nieuwe afzet.

Beide gevallen betekenen hoogstwaarschijnlijk ook dat er niet meer volstaan kan worden zonder een vergunning. Een vergunning is benodigd wanneer er meer groenafval dan 600 m³ van derden wordt gebruikt. Een vergunning kan aangevraagd worden bij de Gemeente, in dit geval Leek. De aanvraag duurt meestal 26 weken.

Stichting STOOM heeft een bestuur, bestaande uit vijf mensen. Echter is op de voorzitter na niemand betrokken bij de stichting. Het is van belang dat indien de stichting zijn activiteiten weer gaat hervatten er gekeken wordt naar dit bestuur. Is iedere bestuurslid nog gemotiveerd genoeg om actief bezig te zijn met deze stichting? Daarnaast moeten de financiën goed bij gehouden worden.

Er zijn mogelijkheden om van stichting STOOM een stichting te maken die toegevoegde waarde heeft en zo te zorgen dat de stichting jaren na oprichting alsnog haar doelen kan verwezenlijken. Dit zou verwezenlijkt kunnen worden door de afzet te vergroten, dus meer leveranciers en afnemers te vinden, en veranderingen door te voeren binnen het bestuurlijke aspect. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

 


Sociaal, Gezond & Inclusief 

Arbeid voor mensen met een verstandelijke beperking; Wat is nodig om arbeid te realiseren? (2018)

Door: Janny Visser & Puck van Vlokhoven

Management samenvatting

Dit onderzoek is uitgevoerd binnen de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier is een innovatiewerkplaats waarin ondernemers, natuurbeheerders, kennisinstellingen, overheden en burgers samenwerken aan verschillende innovatieve projecten. De aanleiding van dit onderzoek zijn de activiteiten van de Gebiedscoöperatie, vanuit het sociaal domein, die bezig is met het opzetten van Workcept. Dit is een platform waarbij werk, in de vorm van activiteiten/klussen, wordt aangeboden dat past bij de kwaliteiten van een werkzoekende. Dit is echter nog in ontwikkeling en om dit zo goed mogelijk op te kunnen zetten is het noodzakelijk om te onderzoeken wat de doelgroep precies wil. De doelgroep die in dit onderzoek onderzocht wordt zijn de cliënten van zorgorganisatie De Zijlen. Deze cliënten hebben een verstandelijke beperking, dit kan een lichte, matige, ernstige of diepe verstandelijke beperking zijn. Vanuit De Zijlen is de wens voor een onderzoek omtrent de arbeidsinvulling van hun cliënten. Dit omdat hun huidige cliënten naar een dagbesteding toe gaan en daar verschillende vormenvan arbeid uitvoeren. De cliënten verrichten op dit moment geen arbeid die hen verbindt met de samenleving. Arbeid wordt georganiseerd binnen de dagbesteding en niet op een (werk)locatie van een bedrijf. De Gebiedscoöperatie deelt deze belangen. Voor Workcept is het nodig om inzicht te krijgen in de talenten en behoeften van de doelgroep, zodat Workcept kan bijdragen aan de invulling van arbeidsmatige dagbesteding bij ondernemers in Groningen.

De hierbij gestelde doelstelling is om door middel van verhalen van de cliënten van De Zijlen, waarbij hun meningen, ervaringen en wensen op arbeidsgebied centraal staan, te beoordelen of en hoe zij tot (betaalde) arbeid kunnen komen. Om vervolgens op basis hiervan aanbevelingen te formuleren aan Workcept. De onderzoeksvraag luidt dan ook: wat zijn de wensen, meningen en ervaringen van cliënten en begeleiders van zorgorganisatie De Zijlen en ondernemers van bedrijven binnen het Westerkwartier, om arbeid te organiseren die bijdraagt aan een actieve participatie van de cliënten van De Zijlen in de maatschappij?

Het theoretisch kader in dit onderzoek beschrijft de doelgroep met een grondig onderzoek van arbeid en voordelen respectievelijk nadelen van het sociaal ondernemerschap. Op basis van de literatuur is het onderzoek vanuit drie perspectieven benaderd: vanuit het perspectief van de cliënt, vanuit de perspectief van begeleiders van de Zijlen en vanuit de optiek van ondernemers van bedrijven. Dit onderzoek is een inventariserend onderzoek dat op een narratieve wijze is uitgevoerd.

De conclusie van dit onderzoek is dat uit de resultaten naar de wensen, meningen en ervaringen van cliënten op arbeidsgebied is gebleken dat cliënten tevreden zijn over hun werkzaamheden bij de dagbesteding. Uit de resultaten naar de wensen, meningen en ervaringen van begeleiders op arbeidsgebied is gebleken dat zij wensen dat de doelgroep een grotere bijdrage levert aan de samenleving op arbeidsgebied. En uit de resultaten naar de wensen, meningen en ervaringen van ondernemers op arbeidsgebied is gebleken dat ondernemers affiniteit hebben met de doelgroep en hopen dat deze doelgroep een grotere bijdrage kan leveren aan het bedrijf en daarmee de samenleving.

Eén aanbeveling heeft betrekking op het uitzoeken en eventueel schrappen van de vervoersregeling die afkomstig is van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Deze Wet draagt bij aan het langer zelfstandig wonen van mensen, hieronder valt ook begeleiding en dagbesteding. Met deze huidige regeling kunnen cliënten bedrijven buiten een straal van vijf kilometer niet bereiken. Uit de resultaten van deze studie komt naar voren dat daardoor de keuzevrijheid van zinvol werk voor de cliënten van De Zijlen gedeeltelijk is belemmerd. Een tweede aanbeveling is om een werkbemiddelaar aan te stellen die een korte schakel vormttussen Workcept, ondernemers en De Zijlen om zinvolle arbeid te organiseren.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Businessmodel Peebos - Onderzoek naar de inrichting van het businessmodel voor locatie Peebos (2018)

Door: Arjo de Vries

Management samenvatting

Dit onderzoek is namens de Gebiedscoöperatie Westerkwartier uitgevoerd. Het onderwerp is het opstellen van een businessmodel voor locatie Peebos. Op locatie Peebos, in Opende, wordt samengewerkt tussen Staatsbosbeheer, Stichting De Zijlen en de gemeente Grootegast. Het doel van deze samenwerking is het helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aansluiting bij een reguliere baan te vinden. Om dit goed mogelijk te maken, moeten inzichten worden verkregen, met betrekking tot de vormgeving van het proces van begeleiding naar regulier werk. Hiertoe dient er een businessmodel voor locatie Peebos opgesteld te worden.

Het doel van dit afstudeeronderzoek is om een businessmodel op te leveren voor Peebos, met inachtneming van de risico’s die bij dit businessmodel komen kijken. Dit houdt dus in om een advies te geven aan de sociale partners over een geschikt businessmodel en de inrichting hiervan.

Op basis van de doelstelling is de volgende probleemstelling tot stand gekomen:Hoe kan het businessmodel voor Peebos eruit komen te zien volgens de visie van de sociale partners en welke risico’s komen hierbij kijken?

Aan de hand van de probleemstelling is het onderzoek opgedeeld in deelvragen:

  • Welke criteria zijn van belang voor het businessmodel van Peebos?
  • Welk (theoretisch) businessmodel is het meest geschikt voor Peebos?
  • Hoe ziet het businessmodel van Peebos eruit na afstemming met de sociale partners?
  • Welke risico’s zijn er bij het businessmodel van Peebos en hoe worden deze beheerst?

De criteria die van belang zijn bij het businessmodel van Peebos hangen samen met de visie van de sociale partners. De criteria zijn dat het businessmodel inzicht moet geven in de samenwerking, het exploitatiemodel, de creatie van sociale waarde en de analyse van de aanwezige risico’s. Op basis van deze criteria is het Businessmodel Canvas het meest geschikte (theoretische) businessmodel voor toepassing op de case Peebos.

Het Businessmodel Canvas is in hoofdstuk 4 uiteengezet. Elk van de negen elementen zijn beschreven voor locatie Peebos. Centraal in het model staan de waardeproposities. Dit omvat de waarde die Peebos wil creëren. Vanuit de visie van de sociale partners is dit het bijdragen aan een inclusieve samenleving binnen het Westerkwartier. Via Peebos trachten de sociale partners bij te dragen middels het begeleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het ingevulde Businessmodel Canvas is terug te vinden in Bijlage 9 van dit onderzoeksrapport.

De risico’s bij het businessmodel van Peebos zijn in een risico control matrix weergegeven, zie Bijlage 8. Hierin zijn de risico’s gedefinieerd en beoordeeld. Vervolgens zijn de beheersmaatregelen opgenomen. Ten aanzien van het risicomanagement bij het businessmodel van Peebos moet cyclisch een risicoanalyse uitgevoerd worden. Op deze manier houden de sociale partners de aanwezige risico’s up-to-date.

Vervolgonderzoeken, die kunnen worden uitgevoerd bij de Gebiedscoöperatie Westerkwartier, zijn voortgekomen in de aanbevelingen van dit onderzoek. Deze houden voor Peebos verband met het uitvoeren van een Maatschappelijk kosten-batenanalyse, de mogelijkheden voor financiering middels Social Return on Investment en de mogelijkheden voor een Publiek-private samenwerking.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

AVG Ready - ‘Een onderzoek naar de welke gevolgen de nieuwe privacywetgeving, de Algemene Verordening Gegevensbescherming, voor Workcept met zich mee brengen ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens.’ (2018)

Door: Jan Poelstra 

Management samenvatting

Dit onderzoek is uitgevoerd, omdat de Gebiedscoöperatie Westerkwartier wilde weten welke gevolgen de AVG voor het plan Workcept van hun zou betekenen.

Het doel van het onderzoek is aanbevelingen doen aan de GCWK over de gevolgen die de AVG voor het plan Workcept van de GCWK met zich mee brengt wat betreft het verzamelen van persoonsgegevens. Er zijn tot deze aanbevelingen gekomen door de AVG en relevante vakliteratuur te analyseren en daarnaast zijn er interviews gehouden en is er sprake geweest van een document analyse.

In het onderzoek is gekeken naar welke verplichtingen er uit de AVG voortvloeien voor Workcept. De centrale onderzoeksvraag die hier centraal staat is:

Welke gevolgen heeft de invoering van de AVG voor de werkwijze van Workcept rondom het verwerken van persoonsgegevens als het gaat om het bemiddelen van mensen?

Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden zijn er een aantal deelvragen voor zowel de theorie, praktijk en de analyse opgesteld. Ten eerste was het van belang om inzichtelijk te krijgen uit de theorie welke verplichtingen er voor een organisatie die bemiddelt in de arbeidsmarkt gelden ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens. Ten tweede was het van belang om het plan Workcept in kaart te brengen. Ten slotte is er onderzocht hoe andere bemiddelaars in de arbeidsmarkt invulling hebben gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien voor de AVG, zodat Workcept hier lering uit kon trekken. Aan de hand van de volgende deelvragen is dit uitgevoerd:

  1. Welke rechten en verplichtingen vloeien voort uit de AVG ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens?
  2. Wat blijkt uit de literatuur ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens conform de AVG voor organisaties die bemiddelen in de arbeidsmarkt?
  3. Hoe wordt Workcept vormgegeven wat betreft het verwerken van persoonsgegevens?
  4. Hoe hebben andere organisaties die bemiddelen in de arbeidsmarkt invulling gegeven aan de AVG en welke succesfactoren en knelpunten kwamen hierbij kijken?
  5. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen de vereisten die voortvloeien uit de AVG en de wijze waarop Workcept vorm wordt gegeven wat betreft verwerken van persoonsgegevens?
  6. Wat leert de vergelijking tussen de wijze waarop Workcept vorm wordt gegeven en de wijze waarop andere organisaties die bemiddelen in de arbeidsmarkt invulling hebben gegeven aan de AVG ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens?

Op basis van de analyse van het theorie- en praktijkonderzoek is een conclusie geschreven met daarnaast relevante aanbevelingen. De conclusie beantwoordt de centrale onderzoeksvraag:

Bewustwording

Voor Workcept is het belangrijk dat toekomstige medewerkers zorgzaam omgaan met persoonsgegevens en bewustwording is hierbij van hoge noodzaak. Grondslagen van een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens Workcept gaat op grond van verschillende grondslagen persoonsgegevens verwerken. Ten eerste op grond van toestemming. Ten tweede op grond van een wettelijke plicht. Bij deze wettelijke plicht kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de participatiewet.

Verwerkersovereenkomsten

Workcept moet verwerkingsovereenkomsten sluiten met partijen die namens Workcept persoonsgegevens verwerken. Uit het onderzoek is gebleken dat het een complex onderdeel van de AVG is. In het geval van twee verwerkingsverantwoordelijken hoeft er geen verwerkingsovereenkomst gesloten te worden.

Verwerkingsregister

Workcept is verplicht om een verwerkingsregister bij te houden, omdat er op systematische wijze persoonsgegevens verwerkt zullen gaan worden.

Informatieplicht

Workcept heeft een informatieplicht naar de betrokkene toe, omdat Workcept persoonsgegevens van gaat verwerken. Bij deze informatieplicht moeten de rechten van de betrokkene aan de betrokkene duidelijk gemaakt worden.

Functionaris gegevensbescherming

Workcept gaat bijzondere persoonsgegevens verwerken en daarom dient Workcept een functionaris voor de gegevensbescherming aan te stellen.

Meldplicht datalekken

Workcept moet bij een datalek een melding doen bij de AP wanneer er een risico voor de betrokkene aanwezig is.

Privacy by design en privacy by default

Uit het onderzoek is gebleken dat er voor de kernactiviteiten van Workcept verschillende verplichtingen gelden. In zijn algemeenheid kan geconcludeerd worden dat Workcept vóór de ontwikkeling van de arbeidspools en andere activiteiten daaromheen rekening moet houden met hoe persoonsgegevens zo goed mogelijk beschermd kunnen worden.

De aanbevelingen aan Workcept die voortvloeien uit het onderzoek zijn:

Bewustwording

Maak toekomstige medewerkers ervan bewust hoe er zorgzaam met persoonsgegevens om kan worden gegaan door bepaalde leeractiviteiten op te stellen.

Verwerkersovereenkomsten

Ga goed na wie in welke situatie verwerkingsverantwoordelijke is en wie verwerker. Dit kan gedaan worden door bij beide partijen te kijken wie het doel voor de verwerking bepaalt en wie de middelen. Sluit niet meer verwerkersovereenkomsten af dan nodig.

Verwerkingsregister

Maak een register waarin alle activiteiten rondom het verwerken van persoonsgegevens te staan komen. Beschrijf in het geval van de verweking van persoonsgegevens. 

Informatieplicht

Stel een privacyverklaring op en zet deze op de website van Workcept, zodat de betrokkene geïnformeerd wordt over onder andere zijn rechten.

Meldplicht datalekken

Maak een risicoanalyse in het geval van een datalek, zodat er kan worden nagegaan of de betrokkene een risico loopt.

Privacy by design en privacy by default

Ga vóór de ontwikkeling van de arbeidspools bij elke kernactiviteit na hoe er het beste conform de AVG invulling gegeven kan worden aan deze activiteiten. Zorg ervoor dat de systemen van Workcept ook conform de AVG worden ingericht.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Participeren met een beperking in het Westerkwartier - ‘’Een onderzoek naar de uitvoering van het VN-Verdrag handicap door de Westerkwartiergemeenten’’ (2018)

Door: Tom Everts

Management samenvatting

Dit onderzoek heeft betrekking op het VN-Verdrag handicap en arbeidsparticipatie van personen met een beperking. Het onderzoek is verricht in opdracht van het Lectoraat Juridische Aspecten van de Arbeidsmarkt van het Marian van Os Centrum voor Ondernemerschap en de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. In het Westerkwartier verbinden zij diverse groepen met elkaar om kennis op de juiste plaats te delen. Het belangrijkste doel van de Gebiedscoöperatie is het behoud en de ontwikkeling van het Westerkwartier. De Gemeenten hebben sinds de decentralisatie vanaf 2015 een aantal taken overgenomen van de  Rijksoverheid. Zo ook de uitvoering van de Participatiewet. Het doel van dit onderzoek is om inzichtelijk te maken op welke wijze gemeenten uitvoering geven aan beleid op het gebied van arbeidsparticipatie van mensen met een beperking conform het VN-Verdrag handicap en relevante wet- en regelgeving. Dit is gedaan door inzicht te bieden in de doelen en eisen van artikel 27 van het verdrag en de Nederlandse relevante wet- en regelgeving, het bestuderen van gemeentelijke beleidsstukken, alsmede inzicht te geven in de werkwijze op het gebied van arbeidsparticipatie van personen met een handicap van gemeenten binnen het Westerkwartier. De hoofdvraag is als volgt geformuleerd: In hoeverre geven gemeenten in hetWesterkwartier uitvoering aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 27 van het VN-Verdraghandicap en relevante Nederlandse wet- en regelgeving?

Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden is allereerst een literatuuronderzoek gedaan. Dit is gedaan om in beeld te krijgen op welke onderwerpen van artikel 27 van het VN-Verdrag handicap de gemeente invloed heeft. Daarbij is gekeken naar verschillende wetten die verband houden met artikel 27 van het VN-Verdrag handicap. In de praktijk zijn er interviews gehouden met medewerkers van de gemeenten Grootegast, Zuidhorn en met de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noorderkwartier (ISD). De ISD is gemandateerd door de gemeenten Marum en Leek om uitvoering te geven aan de Participatiewet. Daarmee zijn alle gemeenten die deel uitmaken van het Westerkwartier betrokken in dit onderzoek. De interviews zijn gehouden met als doel een beeld te krijgen van de werkwijze van gemeenten ten aanzien van de (re-)integratie van personen met een beperking. Door deze informatie te vergelijken met het theoretische kader kan er antwoord wordengegeven op de hoofdvraag.

Naar aanleiding van dit onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden. De gemeenten en de ISD zijn druk bezig met manieren ontwikkelen om iemand met een beperking naar werk te begeleiden. Als belangrijkste beleidsstuk hebben zij de Lokale Inclusie Agenda ontworpen. Wat hierbij opvalt is dat bijna niet is ingegaan op het onderwerp werk en inkomen. Daarnaast zijn de aandachts- en actiepunten niet meetbaar gemaakt waardoor het minder eenvoudig is om dit in de toekomst te evalueren. Sinds de decentralisatie hebben de gemeenten erop ingezet dat zij jongeren die van het praktijkonderwijs of van het speciaal voortgezet onderwijs komen vanaf hun veertiende levensjaar volgen. Hierdoor kan de gemeente samen met scholen advies geven aan de jongeren welke richting zij het beste kunnen kiezen, wat de kans op (duurzaam)werk in de toekomst vergroot. Daarbij zijn de gemeenten en de ISD zijn zich bewust van het feit dat zij de kans op werk en carrièremogelijkheden voor personen met een handicap op de arbeidsmarkt moeten bevorderen. De gemeenten in het Westerkwartier werken samen in een werkgeversteam met de gemeente Noorderveld, Novatec en het UWV. Met dit team proberen zij duurzame oplossingen te ontwikkelen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Verder bespreken zij vacatures vanuit de regio en gaan de makelaars langs bij bedrijven om te praten over mogelijkheden om iemand met eenarbeidsbeperking in dienst te nemen. Daarbij is het belangrijk dat de gemeenten werkgevers voldoende informeren over de (financiële) voordelen zij in aanmerking kunnen komen wanneer zij iemand met een beperking in dienst nemen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat in de profitsector economisch rendement erg belangrijk is en dat de loonkostensubsidie en de no-risk-polis eraan bijdragen dat werkgevers eerder iemand met een beperking in dienst nemen. Consulenten geven verder aan dat de Participatiewet voldoende mogelijkheden biedt om iemand met een beperking naar werk te begeleiden. De ruimte die zij krijgen vanuit de Participatiewet en het beleid van de gemeente helpt hen om iemand met een beperking optimaal te kunnen ondersteunen.

Als laatste zijn de gemeenten zich bewust van het feit dat zij zelf ook afspraakbanen moeten realiseren. Er wordt aangegeven dat zij het belangrijk vinden om het goede voorbeeld te geven richting de samenleving en in de praktijk blijkt ook dat zij dit doen.

Op basis van deze onderzoeksresultaten zijn er enkele aanbevelingen gedaan waarvan de belangrijkste hieronder worden besproken:

  • Met de Lokale Inclusie Agenda zetten de gemeenten al een enorme stap in de goede richting.Wat hierbij wel opvalt is dat er in de Lokale Inclusie Agenda weinig staat vastgelegd overwerk en inkomen, terwijl dit wel een belangrijk onderwerp is in het VN-Verdrag. Verder valtop dat de aandachtspunten/actiepunten niet volledig concreet zijn gemaakt. Er staat nietprecies wat er moet gebeuren, wanneer dit moet gebeuren en wie ervoor verantwoordelijkis. Het advies is om deze aandachts- en actiepunten meetbaar te maken zodat het evaluerenvan deze punten in de toekomst eenvoudiger is.
  • Er wordt aanbevolen om op tijd in te spelen op wat de arbeidsmarkt zoekt. Gemeenten enhet Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) hebben in beeld welke vraag naarwerknemers er in de regio is. Zij kunnen dus samen met scholen inspelen op wat dearbeidsmarkt vraagt, zodat de kans op werk voor een jongere met een beperking groterwordt.
  • Bedrijven zijn tegenwoordig steeds beter in staat om mensen met een beperking tebegeleiden. Dit mag dus ook gestimuleerd worden. De overheid zou in zo’n geval eenondersteunende rol kunnen bieden. Wat interessant kan zijn is om te onderzoeken is welkevorm van jobcoaching het beste effect heeft en of er mogelijkheden zijn om trainingen aan tebieden die bedrijven kunnen helpen deze doelgroep zelf te begeleiden.
  • De gemeenten maken gebruik van een werkmakelaar of accountmanager. Deze personenhebben veel contact met werkgevers en proberen banen te vinden voor personen met eenarbeidsbeperking. De gemeenten werken momenteel al samen met Matchpunt Werkt! omvacatures onderling uit te wisselen en kandidaten te matchen. Een advies zou zijn voor deGCWK (in het kader van WorkCept) om in beeld te brengen welke arbeidsmogelijkheden ermomenteel al zijn in het Westerkwartier voor iemand met een beperking en welkearbeidsmogelijkheden er in de toekomst gecreëerd kunnen worden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Vier op een rij - Een onderzoek naar de verschillen in de uitvoering van de minimaregelingen in het gebied van het Westerkwartier (2018)

Door: L. A. Rutgers

Management samenvatting

Aanleiding van het onderzoek

De aanleiding voor dit onderzoek is dat sociaal raadslieden van SPiNN hebben geconstateerd dat de minimaregelingen van de Participatiewet per gemeente in het Westerkwartier (gemeente Grootegast, Marum, Leek en Zuidhorn) op verschillende wijzen worden uitgevoerd. SPiNN is een welzijnsorganisatie die zich richt op het laten participeren in de samenleving van zowel jonge als oudere kwetsbare burgers. Het probleem is dat er in de praktijk onduidelijkheid heerst bij verschillende organisaties over welke minimaregelingen er zijn en hoe deze per gemeente worden uitgevoerd. Gemeenten geven bijvoorbeeld toeslagen die in hoogte verschillen. Per 1 januari 2019 worden de vier gemeenten één gemeente, namelijk gemeente Westerkwartier. Tot die tijd is het van belang voor de organisatie SPiNN om de verschillen tussen en het aanbod van minimaregelingen in kaart te brengen, zodat de sociaal raadslieden van SPiNN hun werk goed kunnen uitoefenen. SPiNN wil ook graag inzicht in welke voorzieningen er misschien weg gaan vallen na 1 januari 2019 of er juist bijkomen. Als er meer duidelijkheid ontstaat bij SPiNN, kan SPiNN de doelgroepen beter helpen, bijvoorbeeld bij het aanvragen voor een minimaregeling.

De Gebiedscoöperatie Westerkwartier heeft tevens belang bij dit onderzoek, omdat de Gebiedscoöperatie meer juridische kennis wil hebben op sociaal gebied. Het gaat om de juridische kennis van de Participatiewet, de minimaregeling binnen de Participatiewet en de verschillen tussen de minimaregelingen per gemeente. Deze informatie wil de Gebiedscoöperatie gebruiken voor het verder ontwikkelen van een innovatieve vorm van functieloos werken in arbeidspools in de regio onder de naam Workcept.

Conclusie

Minimaregelingen

Het is gebleken dat toeslagen verschillende hoogtes per gemeente kennen, maar er zijn ook verschillen in het aanbod van minimaregelingen per gemeente. Drie grote verschillen worden benoemd. Het eerste grote verschil heeft te maken met de doelgroepen van de Pc-regeling. In de gemeente Leek, Marum en Zuidhorn wordt gebruik gemaakt van deze Pc-regeling. Echter, in Leek en Marum is deze regeling voor kinderen die aan groep 8 van het basisonderwijs of aan het eerste jaar van het voortgezet onderwijs deelnemen. In de gemeente Zuidhorn bestaat de doelgroep uit gezinnen en alleenstaanden van 30 jaar en ouder. Het tweede grote verschil is het door de gemeente anders benomen van de fondsen voor sociale, culturele en sportieve activiteiten en abonnementen. In elke gemeente is de benaming van deze fondsen anders. In Grootegast heet dit het Participatiefonds Doe Met, in Leek het Participatiefonds, in Marum het Activiteitenfonds en inZuidhorn Activiteiten en abonnementen. Tevens verschilt het per gemeente welke activiteiten vergoed worden en wat de hoogte van deze vergoedingen is. Het laatste grote verschil betreft de individuele inkomenstoeslag. Er zijn een aantal verschillen per gemeente te onderscheiden. Ten eerste is de inkomensnorm niet gelijk in elke gemeente. De gemeente Grootegast kent een inkomensnorm van 110% van de bijstandsnorm. In de gemeenten Leek, Marum en Zuidhorn ligt deze hoger namelijk, 120% van de bijstandsnorm. Daarnaast is er een verschil te zien in de vergoedingen die de gemeenten uitkeren.

Praktijk SPiNNUit de praktijk blijkt dat cliënten tijdens de aanvraag van minimaregelingen tegen de hoeveelheid gevraagde formulieren en de gevraagde gegevens aanlopen. Tevens valt op dat cliënten veel privacygevoelige informatie moeten blootgeven. Het effect hiervan is dat sommige cliënten daardoor geen aanvraag voor minimaregelingen indienen. Bovendien is er bij SPiNN geen duidelijk beeld van de doelgroepen die gebruik maakt van de minimaregelingen. Als laatste hebben de sociaal raadslieden geen instrumenten bij de gesprekken met de cliënt, zoals een lijst met alle minimaregelingen.

Aanbevelingen

Uit dit onderzoek zijn drie belangrijke aanbevelingen voortgekomen. De eerste is het bij de hand hebben van de lijsten van de minimaregelingen per gemeente, omdat op dit moment de sociaal raadslieden van SPiNN geen instrumenten bij de hand hebben om tijdens de gesprekken meteen te kunnen zien op welke minimaregelingen de cliënt recht heeft. Wanneer de herindeling van de vier gemeenten heeft plaatsgevonden wordt aanbevolen deze lijsten digitaal te maken. Daarnaast wordt aangeraden een eenmalige cursus te geven om meer informatie over de overeenkomsten en verschillen tussen de minimaregelingen per gemeente uit te kunnen dragen aan de sociaal raadslieden. Het gevolg hiervan zal zijn dat de cliënten optimaal geholpen kunnen worden. Bovendien wordt aanbevolen de specifieke doelgroepen die gebruik maken van de minimaregelingen te registreren. Hierdoor zal een duidelijk beeld ontstaan van welke doelgroepen gebruik maken van deze regelingen en waar de nieuwe gemeente op kan anticiperen bij het ontwikkelen van het minimabeleid.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Peebos - Onderzoek naar kritische prestatie indicatoren voor de samenwerking tussen Staatsbosbeheer, stichting De Zijlen en de gemeente Grootegast (2018)

Door: Wietse Driesprong

Management samenvatting

Dit onderzoek gaat over het opstellen van kritische prestatie indicatoren (KPI’s) voor de samenwerking Peebos. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier (GCWK). De GCWK is een organisatie die onderzoek laat doen door studenten op allerlei gebieden in het gebied Westerkwartier. De GCWK wil doormiddel van innovatie het gebied er op vooruit laten gaan. De GCWK heeft mij de opdracht gegeven om kritische prestatie indicatoren op te stellen voor de samenwerking Peebos. Deze samenwerking bestaat uit drie partijen: Staatsbosbeheer, Stichting De Zijlen en de gemeente Grootegast. Staatsbosbeheer maakt gebruik van cliënten van stichting De Zijlen en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt vanuit de gemeente Grootegast voor allerlei klussen bij het Peebos. Dit zijn klussen zoals het schoonhouden van wandelpaden, het snoeien van bomen en het onderhouden van het blotenvoetenpad. Het Peebos is een locatie van Staatsbosbeheer bij Opende.

Dit onderzoek heeft zich gericht om voor de hierboven beschreven samenwerking KPI’s op te stellen. De probleemstelling van dit onderzoek is: “Wat moeten de kritische prestatie indicatoren van de samenwerking tussen Staatsbosbeheer, stichting De Zijlen en de gemeente Grootegast bij het Peebos zijn?” Om deze probleemstelling te kunnen beantwoorden zijn er een aantal deelvragen opgesteld. De deelvragen van dit onderzoek zijn:

  • Wat zijn de individuele organisatiedoelen van de betrokken partijen, zijn daarin gemeenschappelijke doelen te vinden en aan welke individuele organisatiedoel(en) werken de partijen bij deze samenwerking?
  • Wat is het gezamenlijke samenwerkingsdoel en het maatschappelijke doel waaraan gewerkt wordt in deze samenwerking?
  • Wat is de missie, wat zijn de kritische succesfactoren en wat zijn de doelen van deze samenwerking?

De eerste en tweede deelvraag zijn opgesteld op basis van de theorie over publiek private samenwerkingen (PPS). De samenwerking bij het Peebos is een PPS. Staatsbosbeheer en de gemeente Grootegast zijn publieke partijen en stichting De Zijlen is een private partij. Volgens de theorie over PPS moet een PPS werken aan drie verschillende soorten doelen, namelijk individuele organisatiedoelen, een gezamenlijk samenwerkingsdoel en een maatschappelijk doel. In de eerste deelvraag zijn voor de drie organisaties hun individuele organisatiedoelen opgezocht en is er een analyse gemaakt van deze doelen. Tijdens deze analyse is er gezocht naar gemeenschappelijke doelen. Op basis van de gevonden overeenkomsten tussen de individuele organisatiedoelen kon er voor de tweede deelvraag een gemeenschappelijk samenwerkingsdoel en maatschappelijk doel worden opgesteld.

De laatste deelvraag is opgesteld als stappenplan voor het uiteindelijk opstellen van de KPI’s. Voor het opstellen van deze deelvraag is gebruik gemaakt van de theorie van het tolmodel. Deze theorie stelt dat eerst de missie, daarna de succesfactoren en daarna de doelen moeten worden opgesteld, voordat het mogelijk is om KPI’s op te stellen. Op basis van de doelen uit de eerste en tweede deelvraag en informatie uit groepssessies, is er een missie opgesteld en zijn er succesfactoren opgesteld. Op basis hiervan kon samen met de betrokken partijen de doelen voor de samenwerking worden opgesteld.

Uiteindelijk zijn er op basis van de resultaten uit de deelvragen voor de samenwerking Peebos KPI’s opgesteld. Tevens is er een dashboard ontwikkeld waarin de betrokken partijen de gegevens voor de KPI’s in kunnen vullen en de score op de KPI’s kunnen bijhouden. Daarnaast is er ook een outcome-indicator opgesteld. Dit is een indicator voor het meten van effecten op het langer termijn. Daarnaast zijn er aanbevelingen gedaan over het gebruik van een PDCA-cyclus en is een aanbeveling gedaan om een meetsysteem te ontwikkelen waarbij per medewerker kan worden gemeten wat zijn of haar ontwikkelingenzijn. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Zorgcoöperatie De Wilp - Behoefteanalyse bij de ouderen in het dorp De Wilp omtrent een zorgcoöperatie, de zorgvoorzieningen en de huisvesting (2018)

Door: Shireen Blokzijl, Myrna Oostra & Danniek Sinnema

Management samenvatting

Dit onderzoek is uitgevoerd voor Gebiedscoöperatie Westerkwartier, die in verbinding staat met de vereniging Plaatselijk Belang De Wilp. Zij willen graag onderzocht hebben hoe en of een zorgcoöperatie opgestart kan worden in het dorp De Wilp en zij willen tevens een duidelijke definitie van de term zorgcoöperatie hebben. Steeds meer dorpen lopen leeg, omdat er niet voldoende voorzieningen aanwezig zijn om ouderen in de dorpen te kunnen blijven behouden. De Wilp is zo’n dorp in de provincie Groningen waarin voorzieningen verdwijnen en de leefbaarheid in het dorp ook langzaam afneemt. Plaatselijk Belang De Wilp merkt dat de huisvesting en het bieden van zorg aan de ouderen steeds lastiger wordt. Dit is ook de reden dat zij dit willen onderzoeken. De vereniging vraagt zich af of het dorp behoefte heeft aan een zorgcoöperatie en in hoeverre het oprichten hiervan effect zal hebben in De Wilp. Er wordt in dit onderzoek de behoefte van de ouderen in het dorp geanalyseerd op het gebied van een zorgcoöperatie, zorgvoorzieningen en huisvesting.

Het doel van dit onderzoek is om aanbevelingen te geven aan Plaatselijk Belang De Wilp over het oprichten van een zorgcoöperatie gericht op de behoefte omtrent de zorgvoorzieningen en de huisvesting voor de ouderen in het dorp. Dit door inzicht te bieden in wat een zorgcoöperatie is op grond van de literatuur, de zorgvoorzieningen die worden aangeboden op grond van de wet- en regelgeving en de behoefte van de ouderen in kaart te brengen omtrent een zorgcoöperatie, de zorgvoorzieningen en de huisvesting in De Wilp. Uit deze doelstelling vloeit de centrale onderzoeksvraag van het onderzoek voort:

“Wat zegt de Wmo 2015, Wlz en de literatuur over een zorgcoöperatie, de zorgvoorzieningen en huisvestingvoor de ouderen, wat is de behoefte van de ouderen van het dorp De Wilp in deze en in hoeverre kan eenzorgcoöperatie aan deze behoefte voldoen?”

Om tot een antwoord te komen op deze centrale onderzoeksvraag is er literatuuronderzoek verricht en zijn er enquêtes en interviews afgelegd. De enquêtes zijn afgelegd met de ouderen uit het dorp De Wilp, dit betreft de ouderen van 60 jaar en ouder. De interviews zijn afgelegd met twee deskundigen en de voorzitter van het Plaatselijk Belang.

Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat er geen vaste definitie bekend is voor de term zorgcoöperatie. Er worden meerdere begripsomschrijvingen gegeven, waarin bepaalde termen wel terugkomen. Er komt echter niet één vaste definitie naar voren. Er is voor gekozen om hier een vaste term aan te geven, die als volgt luidt:

“Een zorgcoöperatie kan omschreven worden als een dorp of wijk waarin bewoners zelf hulp en zorg regelen. De inwoners zijn samen eigenaar van de coöperatie. Ze zijn ook samen verantwoordelijk voor het welzijn van de inwoners in het dorp of de wijk. Als er in uw dorp een zorgcoöperatie wordt opgericht zou dit betekenen dat binnen uw dorp De Wilp er hulp en zorg wordt aangeboden door andere bewoners in het dorp. Denk hierbij aan: een wekelijkse eet-groep, een WMO-loket voor vragen over deze wet, hulp bij klussen in het huishouden etc.”

Uit praktijkonderzoek kwam naar voren dat de ouderen en de deskundigen beide niet erg bekend waren met de term zorgcoöperatie. Ook kwam naar voren dat het merendeel van de ouderen wel een behoefte zou hebben aan een zorgcoöperatie in het dorp De Wilp. Tevens zijn de meeste ouderen tevreden met hun huidige woning, slechts een klein deel niet. 

Uit de resultaten van dit onderzoek zijn de volgende aanbevelingen naar voren gekomen:

  • Mogelijk is om een onderzoek te starten naar het oprichten van een zorgcoöperatie. Aangezien uit de resultaten is gebleken dat de meerderheid van de ouderen behoefte heeft aan een zorgcoöperatie, zal onderzocht kunnen worden hoe dit kan worden opgericht en welke voorzieningen hierin aangeboden kunnen worden. Er kan voor deze voorzieningen gekeken worden naar de behoeften die onderzocht zijn in ons onderzoek.
  • Ook is mogelijk om een onderzoek te starten onder de doelgroep die jonger is dan 60 jaar. Door de doelgroep te vergroten, kan gekeken worden naar de behoefte van deze andere doelgroepen met betrekking tot een zorgcoöperatie en of zij hieraan zouden willen meewerken.
  • Eventueel zou er een voorlichting/informatieavond kunnen worden gegeven aan de inwoners van het dorp over een zorgcoöperatie. Uit de resultaten blijkt dat er behoefte is aan een zorgcoöperatie, maar een groot deel niet weet wat het precies inhoudt. Met een voorlichting kan worden uitgelegd wat het precies inhoudt en wat de inwoners kunnen verwachten van een zorgcoöperatie.
  • Tevens kan aandacht worden geschonken aan het opstellen van een overzichtelijke lijst met zorgvoorzieningen die worden aangeboden in De Wilp. Uit enquête-onderzoek blijkt dat veel ouderen niet weten wat het dorp precies aanbiedt. Door het opstellen van zo’n lijst, zal onduidelijkheid omtrent dit onderwerp wellicht opgelost worden.
  • Daarnaast adviseren wij een vervolgonderzoek te starten omtrent de huisvestingsmogelijkheden in De Wilp. Er kan onderzocht worden wat mogelijk is qua het bouwen van nieuwe woningen, die inspelen op de behoefte van de ouderen. Aangezien uit het onderzoek naar voren is gekomen dat het meeste behoefte is aan levensloopbestendige woningen, zou er een vervolgonderzoek gestart kunnen worden naar de mogelijkheden en bruikbaarheid om deze woningen te bouwen. Mocht er uiteindelijk geen zorgcoöperatie opgericht worden, is dit een aanbeveling die nog steeds van toepassing kan zijn.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

De Health Impact Bond - Onderzoek naar de voorwaarden van de Health Impact Bond die voldoen aan de wensen van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier (2018)

Door: Sky Jastiawan

Management samenvatting

Nederland heeft een heel hoge kwaliteit van gezondheidszorg maar de zorgkosten worden steeds hoger. Een oplossing om de zorgkosten te beperken is een innovatieve oplossing van slimme zorgondernemers. Maar dit is moeilijk aangezien de huidige bekostigingsmethoden in Nederland preventie en innovatie ontmoedigen. De knelpunten die ervoor zorgen dat het moeilijker is om innovatie te financieren zijn: wrong-pocket problem, productieprikkel en afhankelijkheidsrelatie. Een mogelijke oplossing van deze knelpunten is door een Health Impact Bond op te richten. De Health Impact Bond is een contract waarbij private investeerders een maatschappelijk project met als doel de gezondheid te verbeteren en kosten te besparen financieren. Aangezien de Health Impact Bond de mogelijkheid creëert om de mogelijke oplossing van de knelpunten te realiseren en hierdoor de zorgkosten zullen worden bespaard, wil de Gebiedscoöperatie graag weten wat de voorwaarden zijn van de Health Impact Bond die aan de wensen van de Gebiedscoöperatie voldoen.

Het doel van dit onderzoek is: het opstellen van voorwaarden van de Health Impact Bond die aan de wensen van de Gebiedscoöperatie voldoen en deze voorwaarden presenteren in een adviesrapport. De probleemstelling van dit onderzoek luidt: Wat zijn de voorwaarden van de Health Impact Bond die aan de wensen van de Gebiedscoöperatie voldoen?

De Gebiedscoöperatie wil met de Health Impact Bond een maatschappelijk- en financieel doel bereiken. Daarnaast wil de Gebiedscoöperatie binnen de Health Impact Bond niet te maken hebben met juridische obstakels. De Gebiedscoöperatie heeft geen voorkeurspartijen waar het mee wil samenwerken binnen de Health Impact Bond. De Gebiedscoöperatie wil wel graag samenwerken met essentiële partijen. Deze partijen zijn partijen waarbij de besparingen kunnen worden behaald.

Uit het onderzoek is gebleken dat de randvoorwaarden van de Health Impact Bond volgens de literatuur gebruikt worden in de praktijk. Een voorbeeld van een randvoorwaarde volgens de literatuur is: de zorgondernemer heeft een financieringsbehoefte. Daarnaast zijn er andere randvoorwaarden in de praktijk. Een voorbeeld hiervan is: er is sprake van een trackrecord.

De kosten van de Health Impact Bond hangen af van het aantal mensen van de doelgroep en de bijkomende kosten. Een voorbeeld van bijkomende kosten zijn de kosten van onderzoek. De vorm van financiering van de Health Impact Bond is impact investeren. Binnen de Health Impact Bond heeft de investeerder veruit het grootste risico.

De investeerder, de opdrachtgever, de uitvoerder, de intermediair en de beoordelaar zijn de partijen die van belang zijn om de Health Impact Bond, die aan de wensen van de Gebiedscoöperatie voldoet, te kunnen opzetten. Van deze vijf partijen zijn de opdrachtgever en de investeerder de mogelijke essentiële partijen.

Uit het onderzoek zijn de volgende aanbevelingen voortgekomen:

  • Maak een business case voor de Health Impact Bond. Door het maken van eenbusiness case kunnen de resultaten van de Health Impact Bond worden bewezen.
  • De aanbestedingswet up-to-date houden. Dit houdt in dat elk jaar gekeken moetworden naar de aanbestedingswet.
  • Zoek een investeerder die een maatschappelijk doel wil behalen met de HealthImpact Bond.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Workcept - Inrichting van een verbindend en sociaal payrollbedrijf (2017)

Door: F.K. Cuperus

Management samenvatting

De overgang naar de participatiesamenleving stelt partijen op de arbeidsmarkt voor een gevarieerd pakket aan uitdagingen. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden heeft de gebiedscoöperatie Westerkwartier de onderneming Workcept in het leven geroepen. Workcept moet een verbindende factor zijn tussen alle partijen op de arbeidsmarkt en moet steun bieden bij het voeren van een sociaal arbeidsbeleid. Bij een sociaal arbeidsbeleid krijgt de werknemer meer zekerheid en een beter perspectief op loopbaanontwikkeling. Een sociaal arbeidsbeleid is inclusief en geeft iedereen de kans om deel te nemen op de arbeidsmarkt.

De doelstelling van dit onderzoek is om een businessmodel voor Workcept te ontwerpen waarin de belangen van de sociale partners meegenomen zijn. Hiervoor is de volgende hoofdvraag opgesteld: Hoe ziet het businessmodel van Workcept eruit vanuit de gezamenlijke visie van de gebiedscoöperatie Westerkwartier en haar sociale partners?

Bij de beantwoording van de hoofdvraag is gebruik gemaakt van het Businessmodel Generation Canvas. In bijlage 11 is het ingevulde canvasmodel weergegeven. Workcept wordt ingericht als beheerder van arbeidspools. Een arbeidspool neemt personeel in dienst en leent personeel uit aan werkgevers. De arbeidspool is verantwoordelijk voor de arbeidsovereenkomsten, de opleiding van personeel en de begeleiding van personeel. Workcept functioneert als instroompool voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, een uitstroom- en een employabilitypool voor bestaand personeel en als flexpool voor werkgevers. Hierdoor richt Workcept zich op het begeleiden en opleiden van zowel werklozen als mensen met een baan.

De missie van Workcept is onderdeel van het businessmodel en is als volgt geformuleerd: Workcept opereert op het snijvlak van ondernemers, onderwijs en overheden teneinde een verschuiving naar sociaal arbeidsbeleid teweeg te brengen. Hierin draagt zij bij aan het verhogen van de arbeidsparticipatie door het creëren en beheren van werkervaringsplaatsen van waaruit de doelgroepen werknemersvaardigheden aanleren en sociaal geactiveerd worden. Vanuit de samenwerking met ondernemingen wordt toegezien op de duurzame uitstroom van mensen uit de doelgroepen.

Het netwerk, commitment van de gemeente en een focus op het vinden van de juiste match tussen werknemer en arbeidsplaats zijn de drie elementen van het businessmodel die van cruciaal belang zijn voor het behalen van de doelen van Workcept. Het netwerk levert betaalde arbeidsplaatsen en werkervaringsplaatsen op. De gemeente moet bijdragen in de financiering van de sociale activiteiten van Workcept wanneer de bedrijven dit zelf niet kunnen. Het vinden van de juiste match leidt tot duurzame uitstroom van mensen vanuit de uitkering.

Er is vervolgonderzoek nodig om de juridische aspecten en de financiering van de arbeidspool in kaart te brengen. Er moet ook een concreet verdienmodel voor Workcept en de benodigde werkervaringsplaatsen ontworpen worden. De gecreëerde sociale waarde moet meetbaar worden gemaakt binnen een maatschappelijke kosten-batenanalyse.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Coöperatieve buurtsuper (2017)

Door: Özge Yildiz

Management samenvatting

Er is een dreiging dat voorzieningen binnen kleine dorpen verdwijnen. Één van deze voorzieningen is een buurtsuper. Maar toch is een buurtsuper belangrijk voor dorpsbewoners omdat dit de leefbaarheid beïnvloed.

Dit afstudeeronderzoek is geschreven in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier voor het oprichten van een coöperatieve buurtsuper in kleine dorpen. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven of het haalbaar is om een coöperatieve buurtsuper op te richten. Om dit te kunnen bewerkstelligen is er een centrale vraag geformuleerd: “In hoeverre is het haalbaar om een coöperatieve buurtsuper op te richten met bepaalde voorzieningen”?

Om antwoord te kunnen geven op deze centrale vraag zijn er een aantal onderzoeksmethoden voor gebruikt, zoals literatuuronderzoek, deskresearch en er zijn interviews gehouden. Doormiddel van literatuuronderzoek is er antwoord gegeven hoe een organisatiestructuur eruit ziet en komt te zien bij een coöperatieve buurtsuper. Daarnaast is er beschreven welke verdienmodellen er het beste passen bij een coöperatieve buurtsuper om te achterhalen of het haalbaar is. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

De social impact bond : een innovatief product - Onderzoek naar de toepasbaarheid voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier (2017)

Door: Ton Kremer

Management samenvatting

De Social Impact Bond is een financiering waarbij winstmaximalisatie niet voorop staat, maar de maatschappelijke impact voorop staat, wat de eis van de Gebiedscoöperatie is. De Social Impact Bond is afkomstig uit de Angelsaksische cultuur. In deze cultuur doet de overheid zo weinig mogelijk en is er minimale regelgeving op sociaal terrein. Van de burgers en bedrijven wordt verwacht dat zij zichzelf kunnen redden, een ontwikkeling die in Nederland ook speelt. In Nederland leven de inwoners namelijk in een participatiesamenleving. Vanwege deze ontwikkeling begint Nederland steeds meer op een cultuur te lijken waar het Angelsaksische model centraal staat. Hierdoor wordt verondersteld dat Nederland vergeleken kan worden met de Angelsaksische cultuur. In culturen waar het Angelsaksische model centraal staat wordt al langere tijd gezocht naar de beste oplossing om het gat, wat hierboven besproken is, te dichten. De oplossing die hiervoor is gevonden is een Public Private Partnership, waarvan de Social Impact Bond een voorbeeld is.

Het doel van dit onderzoek is omte kijken hoe de Gebiedscoöperatie Westerkwartier de Social Impact Bond in de regio kan toepassen. Hiervoor is de volgende onderzoeksvraag opgesteld: Hoe kan de Social Impact Bond toegepast worden door de Gebiedscoöperatie?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden is onderzocht hoe de Social Impact Bond, is toegepast en op welke manier deze tot op heden, in Nederland heeft gefunctioneerd. Tijdens de interviews en het bestuderen van de theorie kwamen een aantal (rand)voorwaarden, om het succes van de Social Impact Bond te vergroten, naar voren, enkele voorbeelden zijn:

  • De uitkomst moet meetbaar zijn;
  • Er moet duidelijk zijn bij welke partij de besparing ligt;
  • De doelgroep moet goed gedefinieerd zijn.

Het opzetten van een Social Impact Bond neemt minimaal een half jaar in beslag. Daarnaast is uit de interviews gebleken dat het bespreekbaar maken van de Social Impact Bond meer tijd in beslag kan nemen dan gewenst. Een goede voorbereiding en veel kennis over het product kan dit proces versnellen. Hierbij is de doelgroep waar de Gebiedscoöperatie de Social Impact Bond het beste op kan richten het terugdringen van de (jeugd)werkloosheid, deze ligt in de provincie Groningen hoger dan het Nederlandse gemiddelde (Figuur 7 werkloosheidspercentage Groningen en Nederland). Daarnaast zijn de huidige Social Impact Bonds in Nederland voornamelijk gericht op het terugdringen van de (jeugd)werkloosheid.

Daarnaast is de Social Impact Bond geen bond zoals de naam doet vermoeden, maar is er een contractuele overeenkomst tussen verschillende partijen op basis van Payment by Result. Dit zorgt ervoor dat er pas wordt uitbetaald op het moment dat er resultaat is behaald. Het resultaat uit zich in een besparing bij een van de partijen, meestal de publieke partij. Deze uitbetaling van het rendement geschied door de partij die deze besparing heeft, tot op een afgesproken maximum.

De partijen die betrokken zijn bij de Social Impact Bond zijn investeerders, een publieke partij, een intermediair, een uitvoerder, een controlerende partij en de doelgroep. Het is daarnaast ook mogelijk voor een van de bovenstaande partijen om een dubbelrol te vervullen, bijvoorbeeld intermediair en investeerder of intermediair en uitvoerder. Opgemerkt moet worden dat het op dit moment alleen mogelijk is om als institutionele investeerder bij de Social Impact Bond betrokken te zijn. Particulieren vallen namelijk onder toezicht van de AFM, daardoor geldt een prospectusplicht wat veel kosten met zich meebrengt.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Een haalbaarheidsonderzoek om een kostendekkende zorgcoöperatie in Oldehove op te richten (2016)

Door: Jochem Deuring

Management samenvatting

Burgerinitiatieven en oprichting van nieuwe coöperaties door onder andere de vele bezuinigingen enveranderingen in de zorg, het nieuws staat er bol van. Maar hoe ziet dit er precies uit voor een zorgcoöperatie? De hoofdvraag die centraal staat tijdens dit onderzoek is: In hoeverre is het haalbaarom een kostendekkende zorgcoöperatie in Oldehove op te richten?

Deze hoofdvraag is uitgesplitst in vier deelvragen. Om antwoord te vinden op deze vragen is literatuuronderzoek gedaan en zijn er bestaande zorgcoöperaties geïnterviewd. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier te Noordhorn en valt onder het lectoraat Duurzaam Financieel Management en het lectoraat Duurzaam Coöperatief Ondernemen. Allereerst wordt het doel van het onderzoek weergegeven. Daarna worden de onderwerpen van de deelvragen weergeven. Als laatste worden de belangrijkste bevindingen van deze onderwerpen uitgewerkt om vervolgens aan te geven wat de belangrijkste conclusies/aanbevelingen zijn van dit onderzoek. Het doel van dit onderzoek is om te kijken in hoeverre het haalbaar is om een kostendekkende zorgcoöperatie in Oldehove op te richten.

De deelvragen bestaan uit de volgende onderwerpen:

  • Kiezen van de meest geschikte coöperatievorm.
  • Onderzoeken wat er aan kapitaal en faciliteiten nodig is om zorgcoöperatie op te richten en hoe dit gefinancierd kan worden.
  • De risico’s bij het oprichten van een zorgcoöperatie inzichtelijk maken en waar nodig deze te beheersen.

Kiezen van de meest geschikte coöperatievorm:

Er is gekozen voor een combinatie tussen een Multistakeholdercoöperatie en een sociale coöperatie, waarbij het zwaartepunt ligt bij de sociale coöperatie.

Onderzoeken wat er aan kapitaal en faciliteiten nodig is om een zorgcoöperatie op te richten en hoe dit gefinancierd kan worden.

Op basis van de geïnterviewde zorgcoöperaties en literatuuronderzoek naar de verschillende mogelijkheden van financiering kan er gezegd worden dat:

  • Het benodigd startkapitaal minimaal €5.000 dient te zijn
  • Een contributieprijs van minimaal €15 per jaar gevraagd kan worden
  • Het ledenaantal naar verloop van tijd naar 140 moet gaan wil het rendabel blijven

Verder is het verstandig voor bepaalde activiteiten een eigen bijdrage te vragen. Daarnaast zijn er minimaal acht opties van financiering en onder die acht hoofdopties vallen ook nog vier andere subopties.

De risico’s bij het oprichten van een zorgcoöperatie inzichtelijk maken en waar nodig deze tebeheersen.

Op basis van de geïnterviewde zorgcoöperaties en literatuuronderzoek naar risicomanagement bij zorgcoöperaties kan er de volgende conclusie worden gegeven: voer een actief risicobeleid aan de hand van de verschillende mogelijkheden die worden aangereikt in dit onderzoek.

Door de bevindingen en aanbevelingen op de onderwerpen van deze deelvragen is het mogelijk om de hoofdvraag te beantwoorden.

Het is mogelijk om de hoofdvraag te beantwoorden, alleen met een aantal randvoorwaarden die tijdens dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Er kan worden geconcludeerd dat het haalbaar is om een kostendekkende zorgcoöperatie in Oldehove op te richten, wanneer er een minimaal startkapitaal van €5.000 is, er voldoende draagvlak is onder de bewoners in Oldehove en er een actief risicobeleid gevoerd wordt.

Het is daarnaast aan te bevelen verder onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een dorpscoöperatie, waar verschillende maatschappelijke initiatieven onder één dak komen en het mogelijk makkelijker is om samen problemen of vragen sneller op te pakken/ op te lossen en mogelijkerwijs schaalvoordelen op te doen op verschillende gebieden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Oprichting van de Zorgcoöperatie Oldehove - Hoe inwoners van Oldehove samen met ondernemers en gemeente een zorgcoöperatie kunnen oprichten (2016)

Door: Roel van der Molen

Management samenvatting

Per 1 januari 2015 komt er een aantal veranderingen in de zorg en ondersteuning voor ouderen en kwetsbaren. Gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en burgers krijgen meer mogelijkheden om de zorg en ondersteuning in eigen beheer te nemen. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier en de gemeente Zuidhorn zien in Oldehove de juiste omgeving voor de oprichting van een zorgcoöperatie.

De doelstelling van dit onderzoek is een advies te geven hoe een zorgcoöperatie in Oldehove kan worden opgericht en wat dit vraagt van de gemeente, ondernemers en inwoners. Ten eerste wordt beschreven wat het huidige zorgaanbod in Oldehove is, vervolgens wat het gewenste zorgaanbod en de gewenste organisatiestructuur zijn. Daarna wordt uitgewerkt wat de gemeente, ondernemers en inwoners moeten doen om de zorgcoöperatie mogelijk te maken. Het gewenste zorgaanbod wordt bepaald op basis van secundaire analyse. Het bepalen van het gewenste zorgaanbod, de organisatiestructuur en wat de gemeente, ondernemers en inwoners moeten doen gebeurt op basis van literatuur en interviews met vier uiteenlopende zorgcoöperaties.

Het huidige zorgaanbod in Oldehove is voldoende voor een dorp van 1.415 inwoners. Er is een huisarts en er zijn voldoende thuiszorgaanbieders. Er zijn meerdere ondersteuningsdiensten; kinderopvang, warme maaltijdservice en twee vrijwilligersorganisaties met praktische diensten als een klussen-, boodschappen- en vervoersdienst. Veel zorgcoöperaties zijn opgericht omdat inwoners de kwaliteit van de thuiszorg onder de maat vonden en dit zelf beter konden organiseren. Ze helpen inwoners met hun zorgaanvraag en bijna de helft van de zorgcoöperaties bemiddelt in het aanbieden van thuiszorg.

Wanneer de zorgcoöperatie in Oldehove wordt opgericht zou deze een bemiddelende rol kunnen vervullen en aanspreekpunt zijn voor alle soorten van zorg of ondersteuning voor ouderen en kwetsbaren. Door direct vanaf de aanvraag te helpen wordt zorg toegankelijker voor zorgvragers. Het kleinschalige karakter en de één-op-één relatie tussen zorgvrager en zorgverlener staan voorop. De meest passende rechtsvorm is de coöperatie en niet de vereniging. Doelgroepen voor het lidmaatschap van de zorgcoöperatie zijn zorgvragers, zorgaanbieders en vrijwilligers.

De zorgdiensten die de coöperatie in ieder geval zou moeten aanbieden zijn verpleging, verzorging en hulp in de huishouding. Dit kan worden uitgebreid naar een dagbesteding en kleinschalig wonen. De inzet van zzp’ers heeft de voorkeur boven een samenwerking met grote traditionele zorgaanbieders.

Belangrijk voor de ondersteuningsdiensten is het ontmoeten van anderen. Daarom zijn sociale diensten als de bezoekdienst, het koffie-uurtje en het dorpsrestaurant belangrijke diensten. Ook een boodschappen- en vervoersdienst zouden moeten worden aangeboden. Praktische diensten die ervoor zorgen dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen zijn de klussendienst, tuinonderhoud en administratieve hulp. Hiervoor kunnen vrijwilligers worden ingezet. Opdrachten die voor hen te groot zijn kunnen worden uitbesteed aan klussenbedrijven, hoveniers en administratiekantoren.

De oprichting van de zorgcoöperatie kost zes tot acht maanden en is in de eerste plaats een zaak van de inwoners. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier kan de inwoners in dit proces ondersteunen met ervaring en het uitvoeren van onderzoeken. Pas als er voldoende draagvlak is en de zorgcoöperatie er zeker komt, zou de gemeente moeten worden betrokken. Omdat in Oldehove 185 65+’ers wonen, minder dan de algemeen aanvaardde ondergrens van 300, zouden de inwoners de keuze moeten maken voor een kleinschalige zorgcoöperatie met beperkte diensten of hogere kosten, of het verzorgingsgebied vergroten.

Ondernemers kunnen inspelen op de behoefte aan kleinschalige zorgdiensten en sociale en praktische ondersteuningsdiensten zoals hierboven benoemd. Ze kunnen zich onderscheiden door aan te sluiten op het kleinschalige karakter en kunnen een grote groep ouderen bereiken die samen willen inkopen. Ook zijn er kansen op het gebied van zorg op afstand. De gemeente kan bijdragen met geld, huisvesting, inzet van vrijwilligers in een uitkeringssituatie, kennis en scholing.

Het is aan te bevelen verder onderzoek te doen naar de wensen van de inwoners van Oldehove, de kosten en baten en de minimale schaal van een zorgcoöperatie in Oldehove, het opschalen of overkoepelen van zorgcoöperaties en hoe de zorgcoöperatie kan worden ingezet om participatievraagstukken te beantwoorden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Oprichten van een zorgcoöperatie te Oostwold - Hoe inwoners in samenwerking met de gemeente een kostendekkende zorgcoöperatie kunnen oprichten (2016)

Door: Camiel de Meijer

Management samenvatting

Sinds 1 januari 2015 zijn er verschillende veranderingen doorgevoerd in de zorg en ondersteuning voor oudere en kwetsbare mensen. Met de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) is er meer verantwoordelijkheid komen te liggen bij de gemeenten en de burgers. Vanuit Stichting Dorpshuis Oostwold (SDO) werd de vraag gesteld of het voor een dorp als Oostwold haalbaar is om een zorgcoöperatie op te richten, die een gedeelte van de zorg met vrijwilligers op zich neemt. De doelstelling van dit onderzoek is om tot een advies te komen dat aangeeft op welke manier inwoners in samenwerking met de gemeente een kostendekkende zorgcoöperatie kunnen oprichten in Oostwold. Ten eerste wordt het huidige zorgaanbod in Oostwold en omgeving in kaart gebracht, daarna wat het gewenste zorgaanbod en de gewenste organisatiestructuur is. Vervolgens wordt weergegeven wat de oprichting van een zorgcoöperatie vraagt van de gemeente en inwoners. Ten slotte wordt er een kostendekkend model ingevuld en worden kansen en bedreigingen voor de zorgcoöperatie in kaart gebracht. Het huidige zorgaanbod wordt bepaald op basis van deskresearch. Om het gewenste zorgaanbod in kaart te brengen zijn de inwoners van Oostwold in drie leeftijdsgroepen verdeeld, waarvan steeds drie inwoners zijn geïnterviewd. Het bepalen van de gewenste organisatiestructuur, wat de inwoners en gemeente moeten doen en de kansen en bedreigingen is op basis van literatuur en interviews met zorgcoöperaties uitgevoerd. Het bepalen van een kostendekkend model en de invulling hiervan is gedaan op basis van literatuur en een brainstormsessie met het bestuur van SDO.

Het huidige zorgaanbod in Oostwold en omgeving is voldoende voor een dorp van deze grootte, er zijn drie thuiszorginstellingen actief in het dorp. Daarnaast wordt er momenteel al veel gedaan op het gebied van ondersteuning. Wel is er ruimte voor verbetering, aangezien veel van de hulpdiensten vanuit Leek geregeld worden. Formele zorg die de zorgcoöperatie in ieder geval zou moeten aanbieden zijn verpleging, verzorging en hulp in het huishouden. Op het gebied van informele zorg heeft het aanbieden van een vervoers- en klussendienst, tuinonderhoud en het ontmoeten van anderen de hoogste prioriteit. Belangrijk is dat er gekeken wordt naar de wensen van de inwoners.

Voor de oprichting van de zorgcoöperatie is draagvlak het belangrijkste, zoals gebleken is uit eerder onderzoek. Het werven van genoeg vrijwilligers en leden is ook van groot belang om de continuïteit te waarborgen. Daarnaast is het aan te raden om vanaf het begin regelmatig te spreken met de gemeente,thuiszorginstellingen, ondernemers en andere zorgcoöperaties. Verder kan ook de GebiedscoöperatieWesterkwartier bijdragen aan het uitbreiden en ontwikkelen van het zorgaanbod van de zorgcoöperatie. De gemeente is een belangrijke partij in dit geheel, maar het is voor de zorgcoöperatie vooral van belang dat de gemeente openstaat voor deze ontwikkelingen en niet pas actie onderneemt als het initiatief er daadwerkelijk is. Op dit moment verschuilt de gemeente Leek zich nog veel achter de wetgeving. Het zou voor de gemeente een goede stap zijn om het grotere geheel te overzien.

Geen van de geïnterviewde zorgcoöperaties maakt gebruik van een businessmodel. Daarnaast viel het op dat bij het overgrote deel van de coöperaties de contributie de grootste inkomstenbron was en dat er ook regelmatig gebruik wordt gemaakt van fondsen.

Over het algemeen hanteren de zorgcoöperaties geen actief risicomanagement, maar er zijn wel verschillende kansen en bedreigingen waar rekening mee gehouden moet worden. Voorbeelden hiervan zijn dat een kans is dat de inwoners zelf bepalen welke zorg zij belangrijk vinden. Een bedreiging is echter dat er te weinig vrijwilligers zijn omdat in Oostwold al heel veel op vrijwillige basis gebeurt. Ten slotte is het aan te bevelen dat er verder onderzoek gedaan wordt naar hoeveel contributie er gevraagd moet worden om het break-evenpoint te bereiken, of de zorgcoöperatie in de toekomst recht heeft op subsidie en of zorgaanbieders en plaatselijke ondernemers openstaan voor het initiatief. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Maatschappelijk vastgoed annex leefbaarheid in Oldehove (2016)

Door: Lisette van Beusekom-Boonstra

Management samenvatting

In het dorp Oldehove, wat onder de gemeente Zuidhorn valt, staat een drietal maatschappelijke panden waar de gemeente diverse vraagstukken over heeft. De panden waar de vraagstukken betrekking op hebben zijn het dorpshuis Humsterland, de Jan Biermaschool en peuterspeelzaal ‘Gruthoes’. Zo moet dorpshuis Humsterland gerenoveerd worden, hiervoor zijn inmiddels renovatieplannen gemaakt. Daarnaast moet er naar een nieuwe invulling van de Jan Biermaschool worden gezocht. Het pand verliest namelijk in september 2016 zijn hoofdfunctie als onderwijsinstelling. En tot slot is er nog peuterspeelzaal Gruthoes. Dit pand zal naar verwachting hoge kosten met zich meebrengen met betrekking tot onderhoud van het pand. De vraag is of dit nog rendabel is.

Doel van het onderzoek is inzicht krijgen van wat de gebruikers van de drie genoemde panden vinden. De opdrachtgever wil onder andere weten hoe de bewoners tegen eventuele sloop staan van een pand of meerdere panden, mocht dit nodig blijken te zijn. Daarnaast is een doelstelling om te weten te komen hoe de gebruikers op dit moment over de invulling van de panden denkt. Eveneens wil de opdrachtgever dat er een inventarisatie wordt gedaan wat bewoners missen op maatschappelijk cultureel gebied in het dorp. Na de inventarisatie van de ontbrekende faciliteiten kan onderzocht worden hoe hier invulling aan kan worden gegeven en op welke manier er gebruik gemaakt kan worden van de panden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

De kwaliteit van leven van de bewoners van ’t Olderloug en ‘t Olderhof in Slochteren voorafgaand aan de generatietuin (2015)

Door: Arjen van den Berg, Daniëlle Bos & Simone Oosterhuis 

Management samenvatting

Het huidige onderzoek gaat over de kwaliteit van leven van de bewoners van ’t Olderloug en ’t Olderhof in Slochteren voorafgaand aan de realisatie van de generatietuin. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Marja Venema van Zonnehuisgroep Noord. Zonnehuisgroep Noord is momenteel bezig met het realiseren van een generatietuin die in het voorjaar van 2015 afgerond moet zijn. Om te kunnen beoordelen of de generatietuin effect heeft op de kwaliteit van leven van de bewoners, is een voormeting uitgevoerd. De onderzoeksvraag die centraal stond is: ‘Wat is de kwaliteit van leven van de bewoners van Zonnehuis ’t Olderloug en ‘t Olderhof in Slochteren voorafgaand aan de realisatie van de generatietuin?’

Het design van het onderzoek is kwantitatief van aard en daarbij is gekozen voor vragenlijstonderzoek. Om te bepalen of de generatietuin effect zal hebben, is het van belang om de kwaliteit van leven zowel voor als na de aanleg van de generatietuin te meten. Er kan dan gekeken worden naar het verschil tussen beide metingen. Voor het uitvoeren van het gehele onderzoek is daarom gekozen voor een pretest-posttest design. In het huidige onderzoek is enkel de voormeting uitgevoerd. De onderzoekspopulatie bestond uit de bewoners van ’t Olderloug en ’t Olderhof in Slochteren. Omdat er na het versturen van de informatiebrief en toestemmingsverklaring een grote non-respons was, is er voor gekozen om de respondenten actief te benaderen. Om de verschillende domeinen van kwaliteit van leven in kaart te brengen is de vragenlijst ‘Zicht op eigen leven’ (n = 42), de observatieschaal ‘Zicht op eigen leven’ (n = 12) en de Barthel Index (n = 65) afgenomen. Daarnaast is gemeten wat de houding van bewoners is ten opzichte van de generatietuin, door middel van een zelf ontworpen attitude schaal (n = 42). Hierin is onderscheid gemaakt in een affectieve, een cognitieve en een gedragsmatige component.

Op de domeinen lichamelijk welbevinden en gezondheid, woon- en leefsituatie en participatie scoorden de bewoners van Zonnehuisgroep Noord locatie Slochteren ruim voldoende. Het domein mentaal welbevinden heeft voldoende gescoord, maar wel significant lager in vergelijking tot de andere drie domeinen (.01 < p < .03). Tussen alle domeinen zijn redelijk hoge correlaties gevonden (.49 < r < .64), behalve tussen de domeinen lichamelijk welbevinden en gezondheid en participatie. Aandachtspunten die naar voren zijn gekomen zijn de items ‘zich gezond voelen’, ‘zich niet eenzaam voelen’, ‘overal kunnen komen buitenshuis’ en ‘nieuwe dingen van mijzelf ontdekken’. De bewoners die cognitief beperkt zijn, scoren ruim voldoende op het domein lichamelijk welbevinden en gezondheid, voldoende op het domein mentaal welbevinden en zwak op de domeinen woon- en leefsituatie en participatie. De gemiddelde score op de Barthel Index is 14.25, waarbij bewoners van ’t Olderloug gemiddeld 12.69 en de bewoners van ’t Olderhof 17.75 scoren. De bewoners van ’t Olderloug hebben gemiddeld gezien dus hulp nodig, maar doen ook dingen zelf en de bewoners van ’t Olderhof zijn gemiddeld redelijk tot goed zelfstandig. Omdat één van de doelstellingen van de generatietuin is om de mobiliteit van mensen te verhogen, zijn er correlaties berekend tussen mobiliteit en de overige items van de Barthel Index. Er zijn correlaties gevonden tussen mobiliteit en blaasincontinentie, uiterlijke verzorging, toiletgebruik, transfers, uit- en aankleden, traplopen en baden/douchen. Het zou dus kunnen dat wanneer de mobiliteit verhoogd, de zelfstandigheid met betrekking tot de hiervoor genoemde items ook zal verbeteren. Er is sprake van een positieve attitude, een positieve cognitie en een positief affect ten opzicht van de generatietuin. Bij de component gedrag is de houding van beide cliëntgroepen echter neutraal.

Punten die de uitkomsten van dit onderzoek mogelijk negatief beïnvloed hebben, zijn de doelgroep, vanwege de kwetsbaarheid gezien hun leeftijd en fysieke conditie en het kennistekort van de doelgroep met betrekking tot de toekomstige generatietuin. Tevens hebben het tijdgebrek van de verpleging om de observatieschaal af te nemen en de negatieve berichten in de media met betrekking tot zorgverschuiving mogelijk een negatieve invloed gehad op de gegevens. Om de resultaten te kunnen generaliseren wordt aangeraden het onderzoek te herhalen bij meerdere verpleeghuizen.

De kwaliteit van leven wordt door de bewoners van Zonnehuis Noord te Slochteren ruim voldoende bevonden. De bewoners van ’t Olderloug beoordelen hun kwaliteit van leven echter lager dan de bewoners van ’t Olderhof. Uitgaande van het feit dat er een positief affect en een positieve cognitie bestaat ten opzichte van de generatietuin, is er een aanzienlijke kans dat de respondenten geneigd zijn gebruik te gaan maken van de generatietuin.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

 

 


Commerciële Economie 

De beleving van de Groningse natuur door zijn bewoners (2018)

Door: Mariël Westers

Management samenvatting

Staatsbosbeheer is een landelijke natuurorganisatie die zich inzet voor de bescherming van de natuur. In Groningen bezit de organisatie ruim 15000 hectare grond verspreid over vier gebieden. Door drie uitgangspunten, namelijk beschermen, beleven en benutten zorgt Staatsbosbeheer ervoor dat de kwaliteit van de natuur in stand blijft en de natuurervaring van de bezoekers wordt vergroot. Door verstedelijking binnen Groningen is er echter een harde grens ontstaan tussen de natuur om de stad en de stad zelf. De aanleiding voor dit onderzoek is het vergroten van de natuurbeleving van de natuur ten Oosten en Zuiden van de stad Groningen zodat de betrokkenheid onder de inwoners van de stad wordt vergroot en het gebied vaker zal worden bezocht. De volgende vraag loopt als rode draad door het onderzoek heen: “Welke variabelen hebben invloed op de keuze voor een natuurgebied voor natuurbeleving van de inwoners van Groningen (stad)?”

Uit de literatuur is gebleken dat een aantal factoren invloed hebben op de natuurbeleving. Dit zijn de gebruikswaarde, natuurlijke omgeving en de narratieve waarde. De gebruikswaarde wordt bepaald door de motieven waarmee de bezoeker het natuurgebied bezoekt. Deze motieven leiden tot het uitvoeren van bepaalde activiteiten om in de behoefte te voorzien. Voor deze activiteiten zijn voorzieningen nodig zoals wandelpaden, fietspaden, eventuele horecagelegenheden, informatieborden, wat mede de gebruikswaarde van het gebied bepaalt. De natuurlijke omgeving is het landschap en de kwaliteiten van de natuur binnen een gebied. Als laatste is de narratieve waarde van een gebied een belangrijke factor voor de natuurbeleving. Dit betreft de identiteit en de geschiedenis van het gebied. Er is voor gekozen dit te onderzoeken aan de hand van een benchmark en een enquête. Er is een interview afgenomen met boswachter publiek Lennard Jasper van de Veluwe en een interview met bestuurder Rob Reintsema van het Groninger Landschap. De enquête is verspreid onder de inwoners van Groningen-stad en had een respons van 236 Groningers van 18 jaar en ouder.

De belangrijkste conclusie die naar voren kwam in beide interviews is dat de kwaliteit van de natuur in stand kan worden gehouden als er wordt gewerkt met zonering. Door een balans te creëren tussen de natuur en de bezoekers kunnen ook toekomstige generaties van de natuur blijven genieten. Uit de enquête kwam naar voren dat per leeftijdsgroep verschillende variabelen de keuze voor een natuurgebied bepalen. De leeftijdscategorie 18 tot en met 25 jaar bezoekt graag een gebied om te recreëren, met wandel- en fietspaden, de mogelijkheid voor recreatie aan het water en de mogelijkheid om iets te drinken of te eten. Daarnaast worden ze graag op de hoogte gehouden via een website of informatieborden in het gebied. Deze groep wordt vaak beïnvloed door hun sociale omgeving. Daardoor is het belangrijk dat er voorzieningen in het gebied aanwezig zijn gericht op recreatie met vrienden en / of familie. Voor deze groep is afstand heel belangrijk vanwege het bezoeken van het gebied per fiets.

De leeftijdsgroep 26 tot en met 56 bezoekt het gebied meest per auto, waardoor afstand minder belangrijk wordt gevonden. Daarnaast zijn ook drink- en eetgelegenheden minder belangrijk. Vooral recreatie wordt belangrijk gevonden, zoals een uitgebreid wandel- en fietsnetwerk. Binnen deze leeftijdsgroep staat natuurbeleving voorop, ze zoeken een stil en rustig gebied waar ze kunnen genieten van de kwaliteiten van de natuur. Gezinnen met kinderen geven de voorkeur aan een educatief aspect tijdens het wandelen of fietsen.

De leeftijdsgroep 65+ bezoekt het gebied voornamelijk op de fiets, net als de eerste leeftijdsgroep.Dit betreffen vooral gepensioneerden of niet-werkenden die ook doordeweeks meer tijd hebben.

Afstand speelt een minder grote rol, wat blijkt uit het feit dat veel bezoekers met deze leeftijd ervoor kiezen het Oosten te bezoeken. In deze groep wordt het landschap belangrijker gevonden. Daarnaast is er een grote behoefte aan zitmeubilair.

Verder is gebleken dat er per deelgebied verschillende gebruikers zijn. Dit resultaat laat zien dat het belangrijk is met zonering te werken. Binnen het gebied zijn vooral het Paterswoldsemeer en Zuidlaardermeer erg bekend onder elke leeftijdsgroep. Het Leekstermeer en Schildmeer blijven achter wat betreft bekendheid. Het Paterswoldsemeer is vooral bekend vanwege de vele recreatiemogelijkheden. In het Oosten, rondom het Schildmeer, komen vooral de oudere leeftijdsgroepen vanwege het mooie landschap. Bij het Zuidlaardermeer bevinden zich veel beschermde vogelsoorten, waarop natuurliefhebbers af komen. Door de verschillende leeftijdsgroepen te sturen in hun keuze voor een deelgebied kan het natuurgebruik worden gereguleerd.

Het advies is om het gebied goed te positioneren. Belangrijk is de nadruk te leggen op de geringe afstand tussen stad en het gebied. Daarnaast speelt de narratieve waarde van het gebied een grote rol. Ook dient het gebied als waterberging, wat van grote betekenis is voor de waterhuishouding van het gebied. Inwoners van Groningen hebben er baat bij dat het gebied deze functie heeft omdat het directe invloed heeft op de omgeving van de Groninger. Hierdoor kan de betrokkenheid worden vergroot.

Binnen het gebied zijn drie doelgroepen te onderscheiden. De recreanten, de natuurliefhebbers en de ouderen. Uit de analyse is gebleken dat het natuurgebied kan worden verdeeld in drie deelgebieden, afgestemd op de genoemde doelgroepen. Het eerste deelgebied omvat het Paterswoldsemeer, Leekstermeer en de Onlanden. Door de vele recreatiemogelijkheden, horecagelegenheden en activiteiten op het water is dit gebied perfect voor de eerste doelgroep, de recreanten. De tweede doelgroep, de natuurliefhebbers, bevinden zich vooral rondom het Zuidlaardermeer en omgeving (Gorecht). Dit is deelgebied twee. Het derde deelgebied omvat het Schildmeer en ’t Roegwold. Uit de analyse blijkt dat vooral ouderen hier naartoe gaan.

Informatiebehoefte van de Innovatiewerkplaats Noordhorn (2018)

Door: Marius Bijl

Management samenvatting

De Gebiedscoöperatie is een innovatief MKB gevestigd in Noordhorn. De Gebiedscoöperatie onderscheidt zich van andere coöperaties doordat ze niet rond één doel of binnen één branche georganiseerd is. De richting waarop de Gebiedscoöperatie Westerkwartier zich focust is de ontwikkeling van collectieve korte ketens.

Dit onderzoek wordt verricht omdat er een groei ontstaat binnen de Gebiedscoöperatie. Een onderdeel van de Gebiedscoöperatie is de innovatiewerkplaats (IWP). Ook hierbij vindt een groei plaats, het plan is om uiteindelijk te groeien naar 22 IWP’s. Aan al deze IWP’s moet sturing worden gegeven. Op dit moment worden er meerdere systemen gebruikt om het proces te ondersteunen. Dit is een inefficiënte manier van werken, omdat er op deze manier gegevens dubbel worden opgeslagen en de kans op fouten groter wordt. De Gebiedscoöperatie zou graag één informatiesysteem willen voor de IWP Noordhorn. Dit systeem zou schaalbaar moeten zijn naar de andere IWP’s, zodat de processen overal hetzelfde zijn en de gegevens eenvoudig geconsolideerd kunnen worden. Daarnaast willen ze uniforme management informatie. Dit onderzoek focust zich op het vaststellen van vereiste managementinformatie dat nodig is voor het functioneren.

Het doel van dit onderzoek is om de informatiebehoefte in kaart te brengen voor de IWP Noordhorn, met als beoogde resultaat advies te geven over welke relevante managementinformatie van toepassing is voor de IWP Noordhorn.

Op basis van de doelstelling is de volgende probleemstelling tot stand gekomen: Wat is de informatiebehoefte van de IWP Noordhorn?

Vanuit deze probleemstelling zijn de volgende deelvragen afgeleid:

1. Wat is de huidige informatievoorziening van de IWP (IST)?2. Wat is de gewenste informatievoorziening van de IWP (SOLL)?3. Wat is het verschil tussen de IST en SOLL situatie?

De centrale vraag is beantwoord met behulp van kwalitatief onderzoek. Tijdens dit kwalitatieve onderzoek is zowel desk- als fieldresearch toegepast. Om tot relevante management informatie te komen is de het tolmodel ingevuld. De theorie hierover staat beschreven in hoofdstuk 1. De toepassing van het tolmodel is uiteen gezet in hoofdstuk 3.

In de huidige situatie is de IWP volgens de typologiebenadering, dat onderdeel is van het tolmodel, te plaatsen in zowel het “maatschappelijk netwerk’’ als het “eenzijdig netwerk’’. In de gewenste situatie wordt de IWP geplaatst in de typologie “maatschappelijk netwerk’’. Vanuit deze typologie is er gekeken naar welke managementinformatie relevant is. Het verschil tussen de IST en SOLL situatie is dat in de SOLL situatie de IWP van een typologie combinatie “maatschappelijk netwerk’’ en “eenzijdig netwerk’’ volledig geplaatst wordt in een “maatschappelijk netwerk’’. De verandering van typologie wordt veroorzaakt doordat er een groei in de organisatie plaatsvindt. Een strategie, om van typologie te veranderen, dat kan worden toegepast is de rationeel-empirische strategie.

De belangrijkste aanbevelingen zijn vervolgonderzoeken. Voor het eerste onderzoek is het van belang om uit te zoeken hoe de managementinformatie het beste aangeleverd kan worden. Het tweede onderzoek is een onderzoek naar de kritische prestatie indicatoren van de IWP. Het derde onderzoek gaat over hoe de managementrapportages het beste vorm kunnen krijgen. Als laatste is er een aanbeveling voor een onderzoek naar de risico’s binnen de IWP.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Op duurzame wijze hop verbouwen - De financiële en maatschappelijke effecten (2018)

Door: Romar Salomons

Management samenvatting

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Hanzehogeschool Groningen. Het onderwerp en de indirecte reden voor onderzoek komt vanuit de Gebiedscoöperatie Westerkwartier te Noordhorn; omdat de Gebiedscoöperatie Westerkwartier contact heeft en samenwerkt met onder andere onderwijsinstellingen, ondernemers en overheden uit de regio. Zo zijn zij ook in contact gekomen met Bierbrouwerij Maallust en Penitentiaire Inrichting Veenhuizen. Vanwege het contact tussen deze drie partijen is het onderwerp ‘het verbouwen van hop’ ter sprake gekomen. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier heeft op haar beurt contact gezocht met de Hanzehogeschool Groningen om uiteindelijk, in overleg met de student, te komen tot de volgende onderzoeksvraag:

‘Wat zijn de financiële en maatschappelijke effecten van het op duurzame (biologische) wijze hop verbouwen?’

Binnen de Gebiedscoöperatie Westerkwartier wordt de onderzoeken onderverdeeld in onderzoekslijnen. Dit onderzoek valt binnen de onderzoekslijnen REFRAME en Sociaal Domein. REFRAME vanwege het feit dat het verwerkingsproces (het verbouwen van hop) in de regio moet gaan plaatsvinden in plaats van de grondstof uit het buitenland te halen. Daarnaast heeft het raakvlakken met het sociale domein vanwege de samenwerking met Penitentiaire Inrichting Veenhuizen en in het bijzonder met de doelgroepen die daar aanwezig zijn en de werkzaamheden voor de hopverbouw zullen gaan uitvoeren. Gezien de overlap en de ‘match’ tussen deze onderzoekslijnen ben ik tot de volgende doelstelling van het onderzoek gekomen:

‘Het waarderen van het maatschappelijk rendement en een advies geven over op welke manier er op de beschikbare grond op duurzame (biologische) wijze kostendekkend hop kan worden verbouwd door verschillende doelgroepen binnen de PI Veenhuizen’

Het belangrijkste wat naar voren gekomen in dit onderzoek zijn de mogelijke risico’s en kansen die kunnen ontstaan tijdens dit project, de (positieve) effecten die in kaart gebracht zijn en het financiële model die cijfermatig de baten en lasten van het project laat zien.

Er kan geconcludeerd worden dat het project op kostendekkende wijze uitgevoerd kan worden. Daarvoor zal wel de benodigde afzetmarkt gevonden moeten worden, om het project (met alle waarschijnlijkheid op lange termijn in juridische samenwerkingsvorm) meer zekerheid te bieden.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: w.reindersma@gcwk.nl

 


Coöperatief ondernemen 

Gebiedscoöperatie Westerkwartier - “Een (nieuw) business- en verdienmodel voor een Belevingswinkel in Zuidhorn” (2016)

Door: Koen Hoekstra

Management samenvatting

Sinds de kredietcrisis is er veel veranderd in de maatschappij. De maatschappij is zichtbaar aan het veranderen en dit heeft de afgelopen jaren een negatief effect gehad op met name de woningmarkt, hypotheekmarkt en daarmee ook op de bouwsector. De maatschappelijke veranderingen hebben ook gezorgd voor veranderingen bij de semioverheid. Zo focust de semioverheid zich momenteel op het stimuleren van het ondernemerschap, energiebesparing, het langer thuis kunnen wonen voor ouderen (healthy ageing) en het stimuleren van duurzame werkgelegenheid (healthy region). Rond deze thema’s is binnen de gemeente Zuidhorn een initiatief gestart om met ondernemers, overheid, zorg en onderwijs kennis te bundelen en dit te demonstreren in een Belevingswinkel. Via dit samenwerkingsverband moeten initiatieven die te maken hebben met innovatie, nieuwe technologieën en kennis in de dagelijkse praktijkeen plek krijgen: de Belevingswinkel.

Dit afstudeeronderzoek is geschreven in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier voor het ontwikkelen van een (nieuw) business- en verdienmodel voor een Belevingswinkel in de Zuidhorn. Het doel van dit kwalitatieve onderzoek is inzicht te verschaffen in hoeverre het haalbaar is om een ‘Belevingswinkel’ voor Bewust Wonen en Werken Westerkwartier te openen in Zuidhorn.

Om dit te bewerkstelligen is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:

In hoeverre is het haalbaar een ‘Belevingswinkel’ voor Bewust Wonen en Werken Westerkwartier met een kostendekkend verdienmodel te openen in Zuidhorn, rekening houdend met de kosten, baten en financiële risico’s voor ondernemers, omgeving (consument) en overheid?

Om hier een antwoord op te kunnen geven zijn verschillende methoden van onderzoek gebruikt. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht welk businessmodel het best aansluit bij de Belevingswinkel. Het Canvas-model is hierbij als basismodel gebruikt. Om meervoudige waarde te creëren, is het Canvas-model gecombineerd met het conceptuele duurzame businessmodel van Bocken, waarin drie duurzame waarden, maatschappij, milieu/omgeving en economie, zijn toegevoegd. Daarnaast is de bouwsteen ‘waardepropositie’ aan deze combinatie toegevoegd om zo een nieuw model te ontwikkelen dat naadloos aansluit bij de Belevingswinkel.

Bij het invullen van het ontwikkelde businessmodel is gebleken dat Osterwalder en Pigneur (2010) en Bocken (2016) beiden gelijk hadden wat betreft het invullen van het businessmodel. Door het businessmodel op een groot oppervlak uit te printen en gezamenlijk in te vullen met de ondernemers creëer je een model waarin iedereen zich kan vinden. Tijdens de invulling is een belangrijke doelstelling voor de Belevingswinkel opgesteld. Het doel van de Belevingswinkel is het compleet ontzorgen van de klant door een integrale oplossing aan te bieden. Dit wordt tot stand gebracht door een onafhankelijke adviseur. De integrale oplossing zal aangeboden worden door de ondernemers uit de bouwkolom achter de belevingswinkel. Op deze manier zorgt het initiatief voor meer werkgelegenheid en daarmee het versterken van de economie in de regio.

Naast het opstellen van het businessmodel is gekeken naar verschillende verdienmodellen om te onderzoeken op welke manier de Belevingswinkel zelfvoorzienend kan opereren. Vanuit de literatuur zijn enkele relevante basismodellen onderzocht. Deze bleken geen van allen genoeg om de kosten van de Belevingswinkel volledig te kunnen dekken. Daarom is gekeken naar een combinatie van de volgende basis-verdienmodellen: het instapmodel, het transactiemodel, het reclame model, en het makelaarsmodel. Doormiddel van een brainstormsessie is een alternatief verdienmodel ontwikkeld: het introduceren van een backoffice die, bij de opdrachten die binnenkomen via de Belevingswinkel, de administratieve werkzaamheden van de ondernemers overneemt, zodat de ondernemers zich volledig kunnen richten op de opdracht van de klant. De ondernemers die betrokken zijn bij de Belevingswinkel hebben echter aangegeven dat zij op dit moment nog geen gebruik zullen gaan maken van dit model. Om deze reden is dit model niet gevalideerd binnen dit onderzoek.

Om de kansen en bedreigingen van het oprichten van de Belevingswinkel in kaart te brengen, zijn verschillende omgevingsanalyses uitgevoerd, namelijk de DESTEP-analyse, het Vijfkrachtenmodel van Porter en de SWOT-analyse. De resultaten van deze analyses zijn gecombineerd in een confrontatiematrix. Hieruit is gebleken dat de Belevingswinkel goed gebruik kan maken van de onafhankelijke adviseur, omdat zij zich hiermee onderscheidt van de concurrentie. Ook het aanbieden van een integrale oplossing is een sterkte die de aandacht moet krijgen om zo de kans van de grote potentiële doelgroep optimaal te benutten. Enkeleandere aandachtspunten voor de Belevingswinkel zijn de naamsbekendheid ten opzichte van de concurrentie, de financiële middelen en het eigenbelang van de ondernemers binnen de bouwkolom.

Uit dit onderzoek is gebleken dat het haalbaar is om een ‘Belevingswinkel’ voor Bewust Wonen en Werken Westerkwartier te openen in Zuidhorn met een kostendekkend verdienmodel. Hierbij moet rekening gehouden worden met de strategische opties en issues die voortvloeien uit de confrontatiematrix.Aanbevolen wordt om allereerst actief te werken aan het creëren van een sterkere band tussen de ondernemers uit de bouwkolom. Wanneer deze band versterkt is wordt geadviseerd om vervolgonderzoek te doen naar verdienmodellen die ervoor kunnen zorgen dat de Belevingswinkel zelfvoorzienend kan opereren. Daarnaast zal de Belevingswinkel zich moeten gaan richten op het verbeteren van de strategische opties en issues.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

 


Alternatieve financieringsvormen 

Strategie voor Kredietunie Westerkwartier - Rekening houdend met de succesen faalfactoren (2017)

Door: Eric Burema

Management samenvatting

Door de strengere Europese en nationale regelgeving zijn de behandelingskosten van kleine financieringen te hoog geworden voor banken. Hierdoor heeft de Gebiedscoöperatie Westerkwartier als initiatiefnemer in 2016 besloten om een alternatieve financieringsvorm te starten, namelijk een kredietunie. Hiervoor is eerst onderzoek gedaan naar de risico’s bij het oprichten van een kredietunie. Vervolgens ontstond er behoefte aan een strategie voor Kredietunie Westerkwartier om tot een succesvolle kredietunie te komen. De doelstelling van het onderzoek is daarbij: Kredietunie Westerkwartier adviseren wat de meest geschikte strategie is op basis van de succes- en faalfactoren van kredietunies. De hoofdvraag is: welke strategie moet Kredietunie Westerkwartier hanteren, rekening houdend met de succes- en faalfactoren van kredietunies?

Om de succes- en faalfactoren te bepalen is er gebruikt gemaakt van diverse interviews, vragenlijsten, literatuuronderzoek en deskresearch. Het bestuur is de belangrijkste succesfactor. Ook is coaching een succesfactor van een kredietunie. Verder is financiering, de common bond en de markt bepalend voor het succes van een kredietunie. De schaalgrootte van een kredietunie dient klein te blijven, zodat de persoonlijke verbinding tussen de leden sterk blijft. Als laatste punt is bekendheid creëren bepalend voor succes. Daarentegen is de grootste faalfactor te weinig draagvlak voor een kredietunie. Ook het kredietverleningsproces moet niet te kritisch zijn of juist andersom. Verder is het belangrijk dat de processen niet te traag worden, als een lid om iets vraagt moet het snel beantwoord worden.

De groeistrategieën voor kredietunies die voortvloeien uit de confrontatiematrix zijn: samenwerkingen met andere kredietunies uit de provincies, kennisbank ontwikkelen voor het delen van kennis en adviezen, samenwerking met scholen, samenwerking met externe partijen, fondsen werven en externe initiatieven voor kredietverlening boven de 250.000 euro.

De verdedigingsstrategieën zijn: plan om ondernemers enthousiast te krijgen, kosten laag houden, door coaching wordt kans op krediet terugbetalen groter en een kredietunie klein houden.

De verbeterstrategieën zijn: bekender maken van een kredietunie door samenwerking met scholen, fusie tussen KN en VSK, meer samenwerking met provincies, samenwerking kredietunies voor meer bekendheid en concentratierisico verkleinen door voldoende fondsen te werven.

De meest haalbare strategieën voor Kredietunie Westerkwartier zijn: samenwerking met scholen om ondersteunde taken uit te laten voeren door studenten, het bestuur dient een plan te hebben om ondernemers enthousiast te krijgen, coaching voor de grotere kans op terugbetaling van de lening en tenslotte moet een kredietunie klein blijven (zonder toezicht).

Dit leidt tot de volgende strategie: ‘Het bestuur dient de kredietunie bekender te maken en actief aanwezig te zijn in de regio om kredietnemers en kredietgevers aan te trekken voor een betere risicospreiding. Dit helpt ons om te groeien naar een omvang die het mogelijk maakt enige risico’s en kosten te dragen. We richten ons op persoonlijk aandacht ten aanzien van de leden en potentiële leden (excellente klantbediening). Dit door middel van kennis, netwerk en het aanbod van financiering. We focussen ons op laagdrempeligheid en zijn betrokken bij de ondernemer, waardoor we ons onderscheiden van de concurrent. Hierdoor richten we ons meer op de ondernemers die wel potentie heeft, maar meer begeleiding nodig heeft. De core business is het verstrekken van kwalitatief goede kredieten met het optimaal ondersteunen van onze leden met kwalitatief goede coaching. In samenwerking met scholen worden ondersteunden taken voor coaches uitgevoerd’. Aanbeveling is dat de kredietunie zich focust op de succesfactoren en de strategie implementeert. Ook een aanbeveling is om onderzoek te doen naar de ideale omvang van een kredietunie. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Subsidieregeling MKB - Gebiedscoöperatie Westerkwartier (2017)

Door: Thomas ten Berge, Robert Donker & Jimmy Niewzwaag

Management samenvatting

Het eerste onderdeel van dit rapport is de opdrachtbeschrijving en aanpak. Hierin zal worden ingegaan op de probleemstelling van de gebiedscoöperatie Westerkwartier en hoe hierop ingespeeld is.

Verder zijn in dit rapport twee duidelijk verschillende onderdelen te vinden. Het eerste onderdeel zal bestaan uit de werkelijke samenvatting van subsidies met hun doel, criteria en hoe de subsidie gegevenwordt. Ook wordt er toegelicht hoe de informatie tot stand is gekomen en wat het doel ervan is.

In het tweede onderdeel is het subsidieadvies te vinden dat aan “De Scheperij” is gegeven. Er wordt beschreven hoe de opdracht is voorgekomen, hoe het is aangepakt en wat het voor resultaten heeft geleverd behalve de informatie voor “De Scheperij”. Het werkelijke advies is te vinden in de bijlagen.

Als laatste zal er gereflecteerd worden op hoe het onderzoek verlopen is en worden beschreven hoe wij deopdracht hebben ervaren. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Coöperatie Mondragon - Als inspiratiebron voor Gebiedscoöperatie Westerkwartier(2016)

Door: Mark Hogenberk, Tineke de Jong & Leontine Telkamp

Management samenvatting

De doelstelling van dit onderzoek is om aanbevelingen te geven aan het bestuur van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier over hoe de unique selling points van een succesvolle coöperatie kunnen worden geïmplementeerd binnen de organisatie van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier. De centrale vraag die wordt gesteld is: ‘Hoe kunnen de unique selling points van succesvolle coöperaties geïmplementeerd worden binnen de organisatie van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier?’

Succesvolle coöperaties zijnonder andere Mondragon, Desjardins, SEKEM Holiding, SCCU en de Rabobank. Het kenmerkende van deze coöperaties is dat deze zijn opgericht in tijden van crisis. Inmiddels zijn de coöperaties uitgegroeid en bieden beter weerstand tegen de economische crisis. Bij de coöperaties Mondragon, Desjardins en SEKEM Holding is sprake van een complete gemeenschap met eigen medische en culturele voorzieningen.

De organisatie van Mondragon wil met begane mensen met een coöperatieve identiteit een winstgevende, competitief en ondernemende groep vormen in een wereldwijde context. Het personeel dat werkzaam is bij de coöperatie is tevens eigenaar. De werknemers brengen geld in en zorgen dat de coöperatie blijft voortbestaan. De kracht van de coöperatie Mondragon ligt onder andere in de samenwerking binnen de coöperatie. Binnen de coöperatie worden trainingen, innovatie, persoonlijke ontwikkeling en technische vaardigheden bevorderd.

Bij het verdien- en financieringsmodel van Mondragon is sprake van een sociaaleconomisch model. Via een investering van 15.000 euro worden werknemers mede-eigenaar van hun bedrijf. Er is sprake van economische democratie. 90% van de nettowinst van elk coöperatief bedrijf wordt geïnvesteerd. Geld is daarnaast een middel om de doelstellingen te behalen en de behoeften te bevredigen.

De grootste verschillen in juridische aspecten zijn dat, in Spanje, de leden niet aansprakelijk zijn voor de schulden van de coöperatie. Daarnaast is inschrijving van de coöperatie in Spanje wel verplicht, waarbij dat in Nederland niet het geval is. Het belangrijkste verschil echter, is hoe de coöperatie wordt vormgegeven in Spanje. In Spanje kan de coöperatie de vorm aannemen van een cooperative of een labour corporation. De labour corporation kan vervolgens weer de vorm aannemen van een NV of BV.

Op dit moment zijn wij een studiereis aan het organiseren voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier en andere belanghebbende zoals onderwijsinstellingen, overheden en NietGouvermentele Organisaties. De excursie heeft veel toegevoegde waarde omdat door de excursie een finishfoto kan worden gecreëerd voor de samenwerking tussen eerdergenoemde belanghebbenden in de regio. Daarnaast kan er nader worden uitgewerkt hoe unique selling points van Mondragon in de praktijk worden toegepast binnen de coöperatie van Mondragon.

Een van de belangrijkste unique selling points van Mondragon is hoe Mondragon met medewerkers omgaan. Voornamelijk het feit dat medewerkers zich kunnen inkopen in het bedrijf en dat er veel ruimte is voor persoonlijke ontwikkeling. Ten tweede is een belangrijk unique selling point van Mondragon de innovatieve cultuur. De Gebiedscoöperatie Westerkwartier kan medewerkers de mogelijkheid bieden om zich in te kopen, al dan niet in termijnen. Dit zorgt voor een hoge betrokkenheid bij de medewerkers. Om innovatie te promoten, kan de Gebiedscoöperatie Westerkwartier meerdere brainstorm sessies houden. Om innovatie te combineren met persoonlijke ontwikkeling en technische ontwikkelingen, kan het aantrekkelijk zijn om medewerkers te laten werken aan hun eigen projecten, dit zorgt voor veel intrinsieke motivatie en promoot innovatie binnen de bedrijfscultuur. Denk bijvoorbeeld aan een rondtafel gesprek, voor het delen van kennis.Hiervan kan iedere deelnemende bijvoorbeeld agrariërs van profiteren.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

Kredietunie Westerkwartier - Innovatief financieren van het collectief (2016)

Door: Dave Bos & Sybrant Heidstra

Management samenvatting

De doelstelling van dit onderzoek is het in kaart brengen van de voorwaarden en risico’s voor de oprichting en uitvoering van de Kredietunie Westerkwartier en advies geven over de risicoaanpak. De centrale vraag die wij hierbij stellen is: “Wat zijn de voorwaarden en risico’s voor de oprichting en uitvoering van de Kredietunie Westerkwartier en hoe moet hier op geanticipeerd worden?” Op basis van deze hoofdvraag zijn wij gekomen tot drie deelvragen.

De eerste deelvraag luidt: “Wat zijn de voorwaarden voor de oprichting van de Kredietunie Westerkwartier.” Deze vraag stellen wij om een beeld te krijgen hoe de kredietunie er uit gaat zien. Kenmerkend voor een kredietunie is dat er geen andere rechtsvorm dan de coöperatie mogelijk is. Wij adviseren dat de coöperatie zal worden ondersteund door 4 commissies: de intakecommissie, de kredietcommissie, de coachcommissie en de kascommissie. Daarnaast is het primaire proces van de onderneming te verdelen in 4 fasen: de aanvraag, het advies, de beoordeling en de nazorg. De kredietunie ken op basis van de wet- financieel toezicht kredietunies 3 varianten. Het verschil tussen deze varianten is dat er bij kredietunies met opvorderbare gelden tot €10 miljoen geen sprake is van vergunningsplicht en gedragstoezicht. Deze zijn wel van toepassing bij opvorderbare gelden boven de €10 miljoen en brengen grote kostenposten met zich mee. Daarnaast is een kredietunie met opvorderbare gelden boven de 100 miljoen verplicht een bankvergunning aan te vragen die ook extra kosten met zich mee brengt.

De tweede en derde deelvraag samengevoegd is: welke risico’s zijn verbonden aan de oprichting en exploitatie van de Kredietunie Westerkwartier en hoe moeten deze worden behandeld? Deze vragen stellen wij om een beeld te krijgen van de risico’s die de kredietunie loopt tijdens de oprichting en exploitatie en om hierover een advies te kunnen geven. Alle gesignaleerde risico’s (zoals te zien in het schematisch overzicht van hoofdstuk 4) hebben wij gekwantificeerd via de waarden kans en impact (High, Medium, Low). Op basis van de combinatie van kans en impact en natuurlijke de risicospecifieke factoren, moet vervolgens worden besloten een risico te accepteren, te mitigeren, over te dragen of te vermijden.

Het resultaat van de analyse is een lijst met te ondernemen acties.

  • marktonderzoek naar de doelgroep;
  • het instellen van een ledenraad;
  • procesbeschrijving, functiescheiding en/of richtlijnen afspreken;
  • digitale beveiliging aanschaffen;
  • richtlijnen met betrekking tot informatieoverdracht opzetten;
  • financiële risico’s onderzoeken en voorwaarden zichtbaar maken;
  • contractueel overdragen van aansprakelijkheid anders van financiële schade;
  • een jurist raadplegen om verzekerd te zijn dat de kredietunie voldoet aan de eisen.

Als de kredietunie zich houdt aan het hierboven gestelde te ondernemen acties zal de kans op negatieve gevolgen zo veel mogelijk verkleind worden. 

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...


Duurzaam bouwen 

De juridische aandachtspunten bij het plaatsen van tiny houses door de Gebiedscoöperatie Westerkwartier (2018)

Door: Bas Rietvoort

Management samenvatting

De hoofdvraag van het onderzoek luidt als volgt: ‘Wat zijn de juridische aandachtspunten bij het plaatsen van tiny houses volgens de huidige wet- en regelgeving en blijkens soortgelijke gerealiseerde projecten met inachtneming van de doelen en ambities van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier?’.

Handelingsprobleem en organisatie – Hoofdstuk 1

De Gebiedscoöperatie Westerkwartier is een maatschappelijke organisatie die tiny houses wil inzetten voor het huisvesten van kwetsbare woongroepen. Daarnaast ziet de coöperatie ook een rol weggelegd voor tiny housing in de flexibele woningvraag in de Westerkwartierregio. Het is de organisatie onduidelijk wat de juridische aandachtspunten zijn bij het uitvoeren van dit plan.

Methodologie – Hoofdstuk 2

De hoofdvraag is aangevlogen met meerdere deelvragen. De gehanteerde methodologie wisselt naargelang de aard van de deelvraag. Voor de theoretische deelvragen is bronnenonderzoek uitgevoerd. De deelvragen met een praktijkgerichte aard werden daarentegen onderzocht aan de hand van interviews en documentanalyse. De analyserende deelvragen zijn tot slot met kwalitatief onderzoek aangevlogen.

Theoretische bevindingen – Hoofdstuk 3

De toepasbare wet- en regelgeving is niet faciliterend in het plaatsen van tiny houses. Voornaamste knelpunten hierbij bleken de vergunningen, het voldoen aan (bouwkundige) wet- en regelgeving, de wijze van vervoer, het verkrijgen van een adres en de mate van medewerking die de lokale gemeente bereid is te geven. Ook is gekeken naar de onderliggende theorie van het (collectief) particulier opdrachtgeverschap en het verlenen van mantelzorg in een mobiele woning. Beiden bleken onder bepaalde omstandigheden waardevol en kansrijk voor het beoogde project.

Praktijkbevindingen – Hoofdstuk 4

Voor de onderzoekspraktijk zijn interviews afgenomen met de lokale gemeente, een medewerker van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier, een tiny house-pionier en een praktijkexpert omtrent het verlenen van (mantel)zorg in een mobiele woning.Het interview met de tiny house-pionier bevestigde de gesignaleerde knelpunten (en mogelijke oplossingen) in de theorie. De respondenten van de gemeente en de Gebiedscoöperatie zijn bevraagd over de ambities van beider organisaties omtrent dit project om te staven in hoeverre het beoogde project in de praktijk uitvoerbaar is. De uitkomst daarvan is zeer positief: beide organisaties bleken op één lijn te zitten. Documentanalyse van relevant gemeentelijk beleid bevestigden deze bevindingen over de welwillendheid van de gemeente.Ook het nut van het beoogde project werd bevestigd in het praktijkonderzoek bij de zorgexpert; het hebben van zelfstandige woonruimte sterkt kwetsbare bewoners in hun welzijn, autonomie en waardigheid.

Conclusie – Hoofdstuk 6

Hoewel de wet- en regelgeving gemoeid met het plaatsen van tiny houses complex is en hindernissen opwerpt, lijken hier oplossingen voor te bestaan. Deze geschetste oplossingen verschillen in hun uitwerking en moeilijkheid door de inherente voorschriften. Hierdoor is het mogelijk voor de Gebiedscoöperatie Westerkwartier om volledig het beoogde project te realiseren in lijn met de ambities van de organisatie en de vigerende wet- en regelgeving.

Een nieuw businessmodel voor Tiny Houses in het Westerkwartier (2017)

Door: Andreas Siemens

Management samenvatting

Op dit moment is in Nederland een groot tekort aan woningen. Het tekort komt mede door het feit dat in Nederland de gezinssamenstelling wijzigt naar eenpersoonshuishouden, wat als gevolg heeft dat meer woningen nodig zijn. De vraag naar woningen neemt toe maar het aanbod in verhouding niet, waardoor de huizenprijzen stijgen. De vraag naar kleinere en goedkopere woningen zal in de toekomst toenemen. Uit de cijfers blijkt ook dat in het gebied Westerkwartier het aantal eenpersoonshuishouden toeneemt. In het Westerkwartier zal de vraag naar kleinere en betaalbare woningen toenemen. Een aantal jaar geleden is in Nederland een nieuw woonvorm Tiny Houses geïntroduceerd. Tiny Houses zijn kleinere, primaire en volwaardige woningen met een maximale oppervlakte van 50m2. Doordat de woningen kleiner en duurzamer worden gebouwd, creëert het een woonvorm die een betaalbare woningmarkt vormt. Rondom Tiny Houses is uit onderzoek van studenten Built Environment in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier gebleken dat mogelijkheden bestaan om de Tiny Houses in het gebied Westerkwartier te kunnen afzetten. Doordat Tiny Houses kunnen inspelen op de vraag uit de markt, lijkt het voor het Gebiedscoöperatie Westerkwartier interessant om Tiny Houses te ontwikkelen in het gebied Westerkwartier.

Voordat de Tiny Houses kunnen worden ontwikkeld in het Westerkwartier is het van belang dat de Gebiedscoöperatie Westerkwartier helder heeft welke elementen, belangen en behoeften in het gebied Westerkwartier aanwezig zijn om Tiny Houses vorm te geven. Dit afstudeeronderzoek is in opdracht van de Gebiedscoöperatie Westerkwartier geschreven om een nieuw businessmodel voor Tiny Houses in het gebied Westerkwartier te ontwikkelen. Het doel van het onderzoek is om de elementen die handvatten bieden tot een nieuw businessmodel te beschrijven en te benoemen. Hiervoor is de volgende hoofdvraag geformuleerd:

‘Wat is een geschikt businessmodel voor het Westerkwartier om Tiny Houses te ontwikkelen, rekening houdend met de omgevingsfactoren?'

Om een geschikt businessmodel te ontwikkelen, zijn een aantal theorieën omtrent businessmodellen geformuleerd. Vanuit deze theorieën is een keuze gemaakt, welke theorie past bij de algemene kenmerken van Tiny Houses en de gebiedsontwikkeling. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van businessmodel van Bocken, waarbij het traditionele Business Model Canvas is gecombineerd met de waarden: omgeving, maatschappij en economie. Vervolgens is het model aan de hand van een brainstormsessie met de verschillende actoren (financiers, gebruikers, ontwikkelaars en overheid) vormgegeven.

Als vervolg op het businessmodel zijn de kansen en bedreigingen uit de omgeving voor de implementatie van het businessmodel in kaart gebracht. Dit is uitgevoerd door middel van de DESTEP-analyse en het Vijfkrachtenmodel van Porter. De uitkomsten van deze analyses zijn uiteengezet in een SWOT-analyse.

Uit onderzoek is gebleken dat bij de ontwikkeling van Tiny Houses in het Westerkwartier rekening moeten worden gehouden met aspecten als concurrentie, de wet- en regelgeving en de financiële middelen om Tiny Houses te kunnen financieren. Tevens is gebleken dat Tiny Houses in het Westerkwartier zorgt voor het creëren van betaalbare woningmarkt en stimulering van duurzame initiatieven. Daarnaast is uit het onderzoek naar voren gekomen dat Tiny Houses in het Westerkwartier een grote potentiële doelgroep heeft.

In het onderzoek worden aanbevelingen gegeven om Tiny Houses binnen het Westerkwartier te kunnen ontwikkelen. De vervolgonderzoeken zouden zich kunnen richten op de duurzaamheid van Tiny Houses, de vormgeving van een wooncoöperatie, de kosten en de financiering van Tiny Houses en de inrichting van de wet- en regelgeving rondom het bouwen van Tiny Houses.

Wilt u meer over dit onderwerp of over dit afstudeerrapport weten, neem dan contact op met: ...

 


Blockchain


Circulaire economie, MVO en energie


Internationalisering


Bestuurlijke vernieuwing en burgerparticipatie


Big en open data


Jongeren en start-ups

Hoe gaat de netwerksamenleving samenwerken? [NL]

Hoe gaat de netwerksamenleving samenwerken? [NL] - Gebiedscoöperatie Westerkwartier

 

 

Regional Cooperative Westerkwartier [EN]

Regional Cooperative Westerkwartier [EN] - Gebiedscoöperatie Westerkwartier

Onderwijs (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

Onderwijs (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

Ondernemers (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

Ondernemers (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

 

Levend Landschap

Levend Landschap - Gebiedscoöperatie Westerkwartier

 

 

Innovatieboerderij (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

Innovatieboerderij (Gebiedscoöperatie Westerkwartier)

Klik hier om naar het YouTube kanaal van de Gebiedscoöperatie te gaan.