Hoe we leren in de IWP


Divergent leren

In de IWP stimuleren we studenten divergent te denken.

Om divergent te kunnen denken zijn er verschillende deelvaardigheden. Het fijne aan deze deelvaardigheden is, dat ze goed ‘oefenbaar’ zijn in de IWP  Het gaat daarbij om de volgende punten:

  • Oordeel niet meteen: We wijzen studenten erop dat ze niet direct moeten oordelen bij het bedenken van nieuwe ideeën. Er bestaat geen goed of slecht antwoord, dus het is belangrijk om zonder te oordelen je ideeën uit te werken.
  • Ga voor kwantiteit: Meer is beter bij divergent denken. Belangrijk is dat studenten zich verdiepen in de materie door literatuurstudie/ deskresearch
  • Maak verbindingen: Veel ideeën zijn op zich zelf nog niet zo goed, maar worden sterk door de verbinding. Door studenten hierop te wijzen en dit te oefenen worden ze hier beter in, en zien ze steeds meer verbanden tussen ideeën ontstaan. Dit helpt ook om de kwantiteit te verhogen van de ideeën.
  • Zoek het nieuwe: Wanneer er divergent gedacht wordt geldt dat ook ‘vreemde’ ideeën goed zijn. We stimuleren studenten te zoeken naar onconventionele en bijzondere oplossingen, ook al lijkt het ze veel te vreemd. Het gaat hierbij over het welbekende ‘verder kijken dan je neus lang is’. Door op zoek te gaan naar ideeën die ver van je af staan kom je soms tot de beste oplossing.

Tripleslag leren

Triple loop leren is een reflectief leerproces dat bestaat uit drie stappen, die eenvoudig kunnen worden beschreven aan de hand van drie standaardvragen.

De eerste stap bestaat in het stellen van de vraag: “Doe ik het goed?”, bijvoorbeeld: pas ik de regels op de juiste wijze toe? Dit is het niveau van iemand die getraind en geconditioneerd is in effectief gedrag.

De tweede stap bestaat in het stellen van de vraag: “Doe ik het goede?”. Het stellen van deze vraag heeft een dubbel belang. Enerzijds maakt het de transfer van vaardigheden en attitudes naar nieuwe situaties mogelijk. Transfer vraagt om de bereidheid je af te vragen waarom je doet wat je doet. Het is niet voldoende je af te vragen: “Doe ik het goed?”. Je moet je ook afvragen: ”Doe ik het goede?” Voor de beantwoording van die vraag moet je in staat zijn op basis van ervaring patronen te herkennen in de omgang met praktijksituaties.2 Anderzijds moet je ook de schijnbare vanzelfsprekendheden in die patronen ter discussie kunnen stellen en alternatieven kunnen overwegen.

Bij de derde stap gaat het om de vraag: “Doe ik het om de goede reden(en)?”. Bij deze vraag gaat het om de beginselen die de grondslag vormen van het handelen. Hier komen ook zingevingvraagstukken aan bod. Deze vraag komt ook voor in de vorm van vragen als: ”Draag ik wel bij wat ik wil bijdragen? Wil ik hieraan mijn medewerking geven?”

Bron: Model Lingsma en Scholten, tripleloop-leren